header

« Terug naar het overzicht van Brandpunt april 2005

Dit schooljaar april 2005

Scholengemeenschappen misbruikt om te besparen!

Eind februari lichtte Frank Vandenbroucke het Vlaams parlement in over zijn plannen inzake de scholengemeenschappen. COC was verbaasd over sommige van zijn uitspraken, zeker omdat die er kwamen zonder enige vorm van overleg met de onderwijsvakbonden. Uiteraard is dat zijn goed recht, maar deze werkwijze doet ons toch onmiddellijk terugdenken aan de regeerperiode van voormalig minister Vanderpoorten.

De aanleiding van de uitspraken van minister Vandenbroucke was een vraag van Vlaams volksvertegenwoodiger Luc Martens over de vorming van de scholengemeenschappen in het basisonderwijs. Deze scholengemeenschappen zagen op 1 september 2003 het levenslicht, maar het voorbije schooljaar en dit schooljaar waren proefjaren. Vanaf 1 september 2005 zouden ook de basisscholen zich aan elkaar moeten binden voor een periode van zes jaar en worden ook de personeelsconsequenties op het niveau van de scholengemeenschap van kracht. Een deel van het personeelsbeleid (o.a. de tijdelijke aanstelling van doorlopende duur, TADD) wordt immers verschoven naar het niveau van de scholengemeenschappen.

Scholengemeenschappen een succes?

COC begrijpt dat de minister om politieke redenen niet anders kan dan verkondigen dat de scholengemeenschappen in het secundair onderwijs een succes zijn en een grote meerwaarde realiseren. De perceptie van de scholengemeenschappen op het kabinet van Frank Vandenbroucke is echter anders dan die op het veld.
Het kan niet ontkend dat sommige scholengemeenschappen goed functioneren, maar net zo min kan ontkend worden dat in andere scholengemeenschappen de concurrentie nog nooit zo groot geweest is als nu en dat er van ‘scholengemeenschap’ nauwelijks sprake is. Het “samen school maken”, zoals dat soms zo mooi wordt geformuleerd, is daar nog steeds een loos begrip. In tegenstelling tot de minister vindt COC dat onderscheid wel erg als hij in zijn beleid geen onderscheid zal maken tussen de verschillende scholengemeenschappen. Het wordt nog erger als men bepaalde delen van het personeelsbeleid, als er van een beleid sprake is, zal toevertrouwen aan die scholengemeenschappen.

Middelen toegekend aan de scholengemeenschappen?

In het parlement verklaarde de minister dat in de toekomst de middelen zullen worden toegekend aan de scholengemeenschappen, maar dat ze zullen blijven gegenereerd worden door de individuele scholen. Volgens de minister zal deze manier van toekennen ertoe leiden dat de scholen zich op een meer rationele manier zullen organiseren en zal ook de leerlingenoriëntering geobjectiveerd worden.
Het toekennen van middelen aan scholengemeenschappen is inderdaad niets anders dan een manier om te rationaliseren, in die zin dat de scholengemeenschappen op deze manier gedwongen zullen worden om de armoede te verdelen. Dat is zo als ze in de toekomst nog minder middelen zouden ontvangen dan deze die ze nu hebben.
Dat op deze manier de leerlingenoriëntering geobjectiveerd wordt, is een merkwaardige stelling, tenzij ze ook het gevolg zou zijn van een ver doorgedreven rationalisatie en herschikking van het onderwijsaanbod. Overigens verklaarde enkele weken geleden nog een adviseur van de minister dat het objectiverren van de leerlingenoriëntering in het geheel geen doelstelling was van de vorming van de scholengemeenschappen.
COC is het er in elk geval niet mee eens dat in de toekomst de middelen zouden toegekend worden aan de scholengemeenschappen. Voor COC is en blijft de school de kern van het onderwijsgebeuren en heeft die school dus recht op rechtstreeks toegekende middelen. Zij moet zelfstandig kunnen beslissen wat ze met haar middelen aanvangt en deze middelen moeten uiteraard voldoende in omvang zijn. De middelen voor het ondersteunend personeel worden nu al toegekend aan de scholengemeenschappen en de ervaring leert dat die dan de armoede mogen verdelen. Vooral de ASO-scholen zijn hiervan de dupe. COC wenst geen herhaling van dit scenario. Op dit ogenblik is het trouwens al mogelijk dat de scholen van een scholengemeenschap hun lesuren bij elkaar leggen en die dan opnieuw verdelen. Het is dus niet nodig dat de minister dit gedwongen oplegt. Dat scholen dit niet doen, toont aan dat ze dit ook niet willen.

Ontkleuring van de middelen

De onderwijsvakbonden zijn allang vragende partij opdat de scholen hun lesurenpakketten zouden kunnen gebruiken waarvoor ze bedoeld zijn, t.t.z. voor de klassieke lesgebonden activiteiten, voor klassenraad en klassendirectie… De praktijk heeft uitgewezen dat de overheid in de loop der jaren aan de scholen bijkomende taken heeft opgelegd, maar zonder dat er voorzien werd in bijkomende middelen. Het lesurenpakket moest daarvoor worden aangesproken, waardoor er minder en minder uren beschikbaar werden voor de eigenlijke les- en begeleidingsopdrachten. De klassen werden groter, de werkdruk ook.
Het is dan ook de stelling van COC dat de werkdruk kan verlaagd worden als het lesurenpakket opnieuw gebruikt wordt voor de doelstellingen waarvoor het gecreëerd werd. Voor al de bijkomende taken moeten bijkomende middelen voorzien worden.
Het verheugde ons aanvankelijk te horen dat de minister in dezelfde richting dacht. Enerzijds zou hij middelen toekennen waarmee ‘klas wordt gemaakt’ en anderzijds middelen voor de leiding, het middenkader en de ondersteuning. Onze vreugde was echter van korte duur, want de minister vindt dat het tot de autonomie van de school behoort uit te maken of het nodig is om de middelen van de ene naar de andere post te verschuiven. COC is van mening dat deze ‘soepelheid’ slechts een handige manier is om de armoede in de toegekende middelen te kunnen verbergen en de scholen daarna op hun gebrek aan professionaliteit te kunnen wijzen. Het is mooi om de minister te horen zeggen dat hij de scholengemeenschappen een optimale beleidsruimte en verantwoordelijkheid wenst te geven, maar dat daartegenover de bereidheid van de scholengemeenschappen moet staan om verantwoordelijkheid af te leggen. Dat kan alleen als vooraf aangetoond wordt dat de scholengemeenschappen en de scholen wel degelijk voldoende middelen krijgen om al hun doelstellingen waar te maken. En dat de scholen de middelen die ze krijgen om ‘klas te maken’, die ook daaraan besteden.

Affectatie aan een scholengemeenschap

Personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs worden op dit ogenblik aan een welbepaalde school of pedagogische entiteit geaffecteerd. COC wenst dat dit zo blijft omdat dit aspect een essentieel element uitmaakt van hun arbeidsovereenkomst. In de mate dat de inrichtende machten eenzijdig kunnen afwijken van aangegane arbeidsovereenkomsten, moeten de personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs ook dezelfde beroepsmogelijkheden krijgen als deze die gelden voor de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs. Het gaat immers niet op dat de zgn. vrijheid van onderwijs de personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs aan hun inrichtende machten bindt door middel van een arbeidsovereenkomst en anderzijds op dezelfde arbeidsovereenkomst ook regels toe te passen die vreemd zijn aan zulke arbeidsovereenkomst, met name de eenzijdige mogelijkheid van de werkgever om van deze regels af te wijken.

Bijkomende middelen voor grote scholengemeenschappen

In het parlement verklaarde de minister dat hij aan de grote scholengemeenschappen vanaf 1 september 2005 bijkomende middelen zal ter beschikking stellen. Het verbaast ons dat dit gebeurt op het ogenblik dat er in het secundair onderwijs besparingen worden doorgevoerd, besparingen die ertoe zullen leiden dat de scholen, die nu nog steeds niet de middelen krijgen waarop ze recht hebben, nog minder middelen zullen krijgen. COC opteert resoluut voor middelen voor de scholen in plaats van middelen voor de scholengemeenschap.

Coördinerend directeur schoolvrij

In het gesubsidieerd onderwijs heeft iedere scholengemeenschap op dit ogenblik de vrijheid de coördinerend directeur al dan niet schoolvrij te maken. De minister is van oordeel dat hen deze vrijheid moet ontnomen worden. Hij geeft hiervoor twee redenen op.
Vooreerst moeten schoolleiders deskundigheid op tal van vlakken combineren met bezielend leiderschap en staan zij dus voor zulkdanig grote uitdagingen dat de combinatie van directeur van een school met coördinerend directeur van een scholengemeenschap niet meer mogelijk is. Vervolgens verwijst hij naar de situatie van de algemeen directeurs in het gemeenschapsonderwijs.
Vooral deze laatste verwijzing is zeer merkwaardig, want een algemeen directeur in het gemeenschapsonderwijs is algemeen directeur van een scholengroep. En een scholengroep in het gemeenschapsonderwijs is wel iets totaal anders dan een scholengemeenschap in het gesubsidieerd secundair onderwijs. In de visie van de minister wordt de functie van coördinerend directeur van een scholengemeenschap dan ook een afzonderlijk ambt. Of de minister over de praktische gevolgen van deze piste al heeft nagedacht, blijkt nergens uit.

Misbruik voor besparingen

In wat voorafgaat werden maar enkele aspecten belicht van het antwoord van minister Vandenbroucke op de vraag van Luc Martens. Het antwoord op deze vraag had kort kunnen zijn, maar de minister heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt om zijn visie omtrent de scholengemeenschappen naar voren te brengen. De toekomst zal uitwijzen in welke mate hij zijn visie zal willen doordrukken.
Alleszins ontstaat de indruk dat de minister het instrument van de scholengemeenschappen zal gebruiken én misbruiken om besparingen in het secundair onderwijs door te voeren. Om deze besparingen verteerbaar te maken voor de inrichtende machten, houdt hij hen de wortel van de lokale autonomie voor. Ook een lokale autonomie met verregaande personeelsconsequenties. En wie is zoals steeds de dupe?

Jos Van Der Hoeven



 
Onze website maakt gebruik van cookies.