header

« Terug naar het overzicht van Brandpunt april 2005

Dit schooljaar april 2005

Interview met Jessy Siongers (VUB)

De aantrekkelijkheid van het leerkrachtenberoep in Vlaanderen

De onderzoeksgroep TOR van de VUB en het Hoger Instituut Voor de Arbeid (HIVA) deden in 2002 een onderzoek naar de aantrekkelijkheid van het lerarenberoep. Voor dit onderzoek werden in totaal 5915 mensen ondervraagd: een groep eerstejaarsstudenten in de lerarenopleidingen en een groep afgestudeerden uit de lerarenopleidingen één jaar en vijf jaar na het beëindigen van hun opleiding. Brandpunt ging praten met Jessy Siongers die op de VUB het onderzoek uitvoerde.

Het onderzoek was al in januari 2004 afgerond. Waarom duurde het een jaar voor de resultaten ook werden bekendgemaakt?
Jessy Siongers: “Zoals elk OBPWO-onderzoek (onderwijskundig beleids- en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek van de overheid) moest het onderzoeksrapport eerst nog worden voorgelegd aan een begeleidende stuurgroep. Daarna is er wellicht met de bekendmaking gewacht op de publicatie van het OESO-onderzoek dat min of meer dezelfde thema’s behandelt.”

Wat opvalt bij het onderzoek naar het profiel van de studenten in de lerarenopleiding, zijn de grote verschillen tussen de studenten kleuteronderwijs, lager onderwijs en secundair onderwijs.
JS: “Ja, in de opleiding kleuteronderwijs bv. komen de meeste studenten uit het TSO en BSO, is er een grote meerderheid vrouwen, zit het grootste aantal studenten met een zwakkere socio-economische achtergrond en met vaker een onregelmatige secundaire schoolloopbaan (hebben vaker een b-attest gehad). Terwijl de masteropleidingen vooral gevolgd worden door studenten uit het ASO, met een sterkere socio-economische achtergrond en met een meer regelmatige schoolloopbaan in het secundair. Bij de masters is er ook veel meer evenwicht tussen mannen en vrouwen. Het is dus duidelijk dat de achtergrond van jongeren meespeelt in hun keuze voor een bepaalde lerarenopleiding.”

Studenten kleuter- en lager onderwijs blijken ook meer persoonsgericht, de masters zijn meer vakgericht. Wat wordt hier precies mee bedoeld?
JS: “Persoonsgericht wil zeggen dat men meer aandacht heeft voor het welbevinden van leerlingen; men houdt rekening met de emotionele aspecten, een goede verstandhouding is belangrijk. Meer vakgericht betekent dat men vooral lesinhoud en kennis wil overdragen en dat men meer afstand wil tussen leraar en leerling. Nu, over het algemeen wordt het persoonsgerichte in het onderwijs steeds belangrijker. Je ziet dat die aanpak (onderwijs is meer dan kennis overdragen) veld wint bij alle studenten in de lerarenopleiding.”

Hoewel de studenten kleuter- en lager onderwijs dus meer persoonsgericht zijn, blijken ze minder verdraagzaam te zijn (bv. ten opzichte van andere culturen) en minder democratisch ingesteld. Is dat niet in tegenspraak?
JS: “Ja, dat lijkt zo, maar dat is een beeld dat vaak terugkeert in profielen van jongeren die uit het BSO komen. Zij hechten een grotere waarde aan persoonlijke emoties, maar staan bv. negatiever ten opzichte van allochtonen. Het gaat hierbij om een heel samenspel van factoren en kenmerken: de opleiding en de houding van de ouders, de gekozen studierichting, de mediavoorkeuren, de peer pressure (=hoe leerlingen beïnvloed worden door andere leerlingen uit dezelfde onderwijsvorm)…”

Idealisme

Wat is voor jongeren de belangrijkste motivatie om leraar te worden en dus een lerarenopleiding te volgen?
JS: “Die motivatie is vooral intrinsiek. Jongeren willen vooral leraar worden omdat ze de jobinhoud zélf aantrekkelijk vinden (het lesgeven op zich, de creativiteit…), omdat ze graag werken en omgaan met kinderen en jongeren. Je merkt dat in keuzes voor andere beroepen vaak meer de extrinsieke motivatie meespeelt: het loon, de loopbaanmogelijkheden, de kansen op de arbeidsmarkt.”

Met andere woorden: mensen worden leraar uit ‘idealisme’, niet zozeer om de materiële voordelen van het beroep?
JS: “Het intrinsieke weegt inderdaad door, al worden leraars en leraars-in-spe ook wel aangetrokken door de gunstige vakantieregeling in het onderwijs en de mogelijkheden om arbeid met gezin te combineren. Diezelfde tendens zie je als je leraars ondervraagt die één of vijf jaar in het beroep staan en hun antwoorden vergelijkt met gediplomeerden uit de lerarenopleiding die niet in het onderwijs gestapt zijn. De leraars zijn minder tevreden over hun loopbaanperspectieven en hun loon, en méér tevreden over hun jobinhoud en de combinatiemogelijkheden arbeid/gezin. Wat de loopbaanperspectieven betreft gaat het dan vooral om het gebrek aan promotiekansen, inzetbaarheid in andere delen van de arbeidsmarkt… De ontevredenheid over het loon gaat over het gebrek aan extra-legale voordelen en over de hoogte en de regelmaat van loonsverhogingen. Over de hoogte van het loon op zich is men wel vrij tevreden. Ondanks die ontevredenheid over loon en loopbaanperspectieven, is dit voor de leraars echter geen reden om uit het onderwijs te stappen of er niet in te stappen.”

Wanneer je de jobtevredenheid van mensen IN het onderwijs verder vergelijkt met mensen die niet in het onderwijs werken (maar wel een leraarsopleiding volgden), valt op dat de leraars duidelijk veel minder tevreden zijn met de arbeidsomstandigheden (werkdruk, compensatie voor overwerk ’s avonds en in het weekend, vergoedingen voor kosten verbonden aan het werk, hoeveelheid vrije tijd buiten de vakanties…) en met de contractuele zekerheid.
JS: “Bijna iedereen die in het onderwijs werkt (98,7%), wil er ook blijven werken. 1/3 wil dat onvoorwaardelijk doen, 2/3 wil in het onderwijs blijven op bepaalde voorwaarden. De belangrijkste twee van die voorwaarden zijn: werkzekerheid en minder werkdruk. De eerste voorwaarde heeft natuurlijk te maken met de vaste benoeming die duidelijk een zeer belangrijke aantrekkingspool is om leraar te worden of te blijven. De tweede voorwaarde verwijst vooral naar de administratieve planlast waar leraars duidelijk onder lijden. Ook typisch voor leerkrachten is dat men het leraarsberoep als een zwaar beroep beschouwt, zwaarder dan de meeste andere beroepen. Daarbij spelen vooral werkdruk en planlast een grote rol. Over het pure lesgeven op zich is men bijna altijd wél tevreden.”

Aanbevelingen

Op basis van uw onderzoek doet u ook enkele beleidsaanbevelingen. Een eerste aanbeveling is dat, om leraars in het beroep te houden, er meer aandacht moet gaan naar werkzekerheid en naar betere loopbaanperspectieven. Werkzekerheid: dat wil zeggen dat er van een afschaffing van de vaste benoeming geen sprake kan zijn om de aantrekkelijkheid van het beroep te verzekeren.
JS: “Vooral jonge leraars worstelen soms jarenlang met korte en/of tijdelijke contracten in verschillende scholen. De vervangingspool, die men nu gaat afbouwen, heeft geprobeerd daarop in te spelen, maar daar zijn niet alle gediplomeerde leerkrachten geheel tevreden over. Zo wordt bv. gesteld dat leraars in de vervangingspool vaak gebruikt werden voor administratieve taken. Hoe dan ook zouden we moeten streven naar een systeem waarbij jonge leerkrachten sneller een vaste tewerkstelling kunnen krijgen, dat is toch wel een belangrijke bekommernis.
Wat die loopbaanperspectieven betreft, zitten wij op dezelfde lijn als de minister: meer functiedifferentiatie (lesgeven combineren met of inruilen tegen een andere job op school) kan een goed antwoord zijn op problemen als burn-out en werkstress die de aantrekkelijkheid van de job doen verminderen.”

Nog twee beleidsaanbevelingen: meer mannen lokken naar het kleuter- en lager onderwijs en meer allochtonen naar het onderwijsberoep laten doorstromen.
JS: “Wat de mannen betreft, gaat het vooral om een imagoprobleem: mannen vereenzelvigen zich minder makkelijk met een ‘zorgberoep’. Op dat vlak moeten we misschien streven naar een PR-campagne waarbij je mannen duidelijk maakt dat bv. kleuteronderwijs méér is dan de verzorging van kleuters, maar ook heel wat andere aspecten (zoals creativiteit) inhoudt.
Het is algemeen bekend dat relatief weinig allochtonen in het hoger onderwijs stappen, dus ook in de lerarenopleiding. Vaak heeft dat te maken met taalachterstand, zelfs nà het secundair onderwijs. Wat de overheid hier kan doen is specifiek taalonderwijs organiseren voor allochtonen, tijdens én na het secundair onderwijs. Je kan allochtonen ook beter begeleiden en oriënteren in hun studies. En je kan het imago van het lerarenberoep bij de allochtone families proberen te verbeteren.”

Tenslotte: u pleit ervoor om jongeren die uit het TSO en BSO komen en de lerarenopleiding aanvatten, daarop beter voor te bereiden.
JS: “Ja, want het blijkt dat die jongeren vaak een verkeerd beeld hebben van wat de lerarenopleiding inhoudt en van de zwaarte ervan. Een betere communicatie en informatiedoorstroming is hier aangewezen, zodat die jongeren beter voorbereid de opleiding kunnen starten en meer weet hebben van de begeleidingsmogelijkheden en van studieplanning. Waar we zeker niet voor pleiten, is om het niveau of de moeilijkheidsgraad van de lerarenopleiding naar beneden te halen, dat zeker niet.”

Wim De Bock



 
Onze website maakt gebruik van cookies.