header

« Terug naar het overzicht van Brandpunt juli 2011

Dit schooljaar juli 2011

Hoger onderwijs

Het hoger onderwijs is al ruim twintig jaar een surrealistische werf waar onder aansporing van enkele bevlogen en vele onrealistische ontwerpers ijverig wordt getimmerd of gelast. Nu staan we voor de bouw van een vernieuwde vloot: de academische hogeschoolopleidingen zullen vanaf het academische jaar 2013-2014 in één beweging onder de vlag van de universiteiten verder varen.

De Vlaamse regering zou zich voor het reces nog moeten buigen over een nota die de aanzet vormt tot een decreet over de nieuwe structuur hoger onderwijs, de financiering en het statuut van het personeel. De nota is er nog niet en dat op minder dan een maand voor onze beleidsmakers op vakantie vertrekken.

We brengen alvast de fragmentaire informatie samen en proberen delen van de bouwplannen te ontraadselen. Bouwt men de Titanic II, een oorlogsvloot, baggerschepen of reddingsboten?

 

De Zielsverwantschappen

Het Vlaams parlement had aanbevolen de academische hogeschoolopleidingen (zonder de kunstopleidingen) te integreren in de universiteiten mits een aantal specifieke randvoorwaarden in acht worden genomen. Tot op heden is er nog in de verste verte geen garantie op:

  • maatschappelijke meerwaarde
  • adequate financiering
  • maximale efficiëntie van de besteding van middelen
  • behoud van de profielen en de finaliteiten van de opleidingen
  • versterking van de professionele bacheloropleidingen, behoud van de kwaliteit en hun specifieke rol op het gebied van innovatie
  • gerichte bijkomende inspanningen voor de verdere democratisering van het hoger onderwijs
  • versterking en uitbreiding van de mogelijkheden tot overgang van de ene naar de andere opleiding
  • institutionele vereenvoudiging van het hogeronderwijslandschap
  • de versterking van de kruisbestuiving tussen het hoger onderwijs en andere maatschappelijke actoren (kennisdriehoek onderwijs-onderzoek-innovatie)  

De Blanco Volmacht

Uitgangspunten

De financiering blijft een permanente zorg. Pijnpunten zijn onder meer de onderinvestering, het uithollende indexeringssysteem, onvoldoende verrekening van groei en nadruk op output. In de huidige voorstellen lijkt men in het zelfde bedje ziek te blijven. Adequaat wordt die financiering dus nog niet.

De ad hoc commissie hoger onderwijs drong in 2010 wel aan op adequate financiering met evenwicht tussen de versterking van de financiering van het onderzoek in de academische opleidingen van de hogescholen, de professionele bacheloropleidingen en de huidige opleidingen aan de universiteiten. Er zou voorkomen moeten worden dat bepaalde opleidingen zich onvoldoende kunnen ontwikkelen. Het vertrekpunt is de beslissing van de Vlaamse regering van 16 juli 2010 en een verdere technische uitwerking hiervan. Daar zullen wellicht enkele aanpassingen aan gebeuren.

 

Uitgangspunt van de overheid is dat de elementen van de basisarchitectuur van het bestaande financieringsmodel behouden worden. Het bestaande financieringsdecreet (van Frank Vandenbroucke) heeft de helft van de financiering van de instellingen van het hoger onderwijs gekoppeld aan de wetenschappelijke output, publicaties in internationale tijdschriften en doctoraten. Dat heeft geleid tot een behoorlijk bitse competitie tussen de verschillende universiteiten en hogescholen, meer bijkomende druk op de onderwijscomponent en een nog hogere werkdruk.

 

De structurele besparing uit 2010 omvat een blijvende vermindering van de werkingsuitkeringen met maximum 16,18 miljoen euro. Toch wordt op eigen punten na, op vragen tot bijkomende middelen naast de al voorziene groei niet ingegaan. We weerhouden uit de ‘gedachtewisseling over de werkdruk in het hoger onderwijs’ van Commissie Onderwijs in het Vlaams Parlement op 24 februari 2011 de uiterst zorgwekkende vaststellingen dat tussen  1994 en 2011 de enveloppe steeg met 5,4%, terwijl de indexering van de lonen steeg met 9,1%. En dat in de periode 2007 - 2010 de financiering per student daalde van 4.700 naar 4.300 euro.

 

De algemene klacht rond de structurele onderfinanciering van het hoger onderwijs wringt wel met de vaststelling van de zowat 400 miljoen euro reserves die de hogescholen sinds 1995 hebben opgebouwd. Daar zijn uiteraard tal van motiveringen voor te vinden. COC wil daar een gesprek ten gronde over. We blijven op dit moment evenwel overtuigd van de noodzaak aan een betere financiering maar dat daarbij de verhoudingen tussen de posten op de begroting wel herbekeken moet worden. De post personeel zou best flink ruimer kunnen. Over de 80/20 verhouding moeten we zeker onderhandelen. De reserves contrasteren ook al te sterk met het schandalig afpingelen en zeuren als het al eens gaat over een uiterst bescheiden bijdrage voor het personeel, bijvoorbeeld om de laagste lonen van de arbeiders wat op te krikken, of om het systeem van ziektedagen gelijk te krijgen.

 

De integratie gaat samen met een globale investering van 225,9 miljoen euro. Met een realisatie van 209 miljoen euro binnen een termijn van tien academiejaren. Voor deze legislatuur betekent datt een totaal van 42 miljoen euro (onderwijs 29,1 en wetenschapsbeleid 12,9). In het regeerakkoord staat echter dat de Vlaamse regering zich voorneemt om de inspanningen voort te zetten om het budget voor het hoger onderwijs substantieel te verhogen, ‘met een stijging van 10% in de komende periode’. Dat laatste komt neer op ongeveer 130 miljoen euro. Dat is substantieel meer. Tenzij het verschil onverhoopt voorzien wordt voor de cao hoger onderwijs, wordt het regeerakkoord zwaar onderuitgehaald. Het pakket aan bijkomende middelen uit de goedgekeurde integratienota van de Vlaamse regering komt hoe dan ook te laat.

 

Alle berekeningen zijn op basis van de gegevens voor de berekeningen van de verdeling van de enveloppe voor 2011, dit wil zeggen met een tijdsvenster gespreid over de academiejaren 2004-2005 tot en met 2008-2009. Alle middelen voorzien in de beslissing van juli 2010 zijn op indexniveau 2010. Zij worden in overeenstemming met de regels van het financieringsdecreet geïndexeerd: 80% van de bedragen volgens de gezondheidsindex en 20% aan slechts 75% van de evolutie van de gezondheidsindex. Een bestaande mechaniek van blijvende oneerlijke uitholling van structurele middelen.

 

Plannen in detail

Voor de concrete punten over de financiering verwijzen we naar een meer uitgebreid artikel dat je binnenkort op de COC website zal vinden. Het gaat onder meer over het kliksysteem, de onderwijssokkel, het onderwijsvariabel deel, de onderzoekssokkel, het opdoeken van de verevening, ontwikkelingen binnen de Brussel-norm, de toekomst van de academiseringsmiddelen, meer geld voor het projectmatig wetenschappelijk onderzoek, de bijkomende middelen voor het Zelfstandig Academisch Personeel, de 55/45 verhouding en plannen tot monitoring. We hopen dan met meer zekerheid de standpunten van de Vlaamse regering te kunnen geven.

 

De Valse Spiegel

Het welslagen van de integratie hangt volledig af van de wijze waarop het personeelsvraagstuk wordt aangepakt. De veranderingen moeten aanvaardbaar zijn voor de collega’s. De operatie moet kansen creëren en er moeten sluitende garanties zijn voor de rechtspositie (statuut, loopbaan, pensioen). Er is duidelijk onrust over de positie van het personeel bij de integratie, onder meer de vrees tweederangspersoneel te worden en het sterke vermoeden dat in de carrièreontwikkeling geen of onvoldoende rekening wordt gehouden met de verschillende ontwikkelingskansen uit het (recente) verleden.

 

Om te vermijden dat het huidige hogescholenpersoneel een tweederangspositie zou innemen, moet elk personeelslid ongeacht statuut gelijke toegang krijgen tot onderzoek, onderwijs of dienstverlening, en gelijke mogelijkheden tot het bekleden van mandaten of beleidsfuncties.

 

We moeten dus niet alleen aandacht hebben voor het statuut van het personeel, maar ook de carrièremogelijkheden van het personeel duidelijk vastleggen. In ieder geval moet in rekening worden gebracht dat de loopbaan van personeelsleden van de hogescholen anders is gegroeid dan deze aan de universiteiten. Bovendien verschillen de academische opleidingen aan de hogescholen van deze aan de universiteit. Wordt er geen rekening gehouden met deze verschillen dan zullen deze personeelsleden van de hogescholen al snel verglijden naar een tweederangsrol zonder veel perspectief. Het gevaar dat daarbij de eigenheid van opleidingsprofielen zullen verwateren is meer dan reëel.

 

Uitgangspunten

Het lijkt het meest logisch dat een opleiding overnemen met inbegrip is van alle personeel. Op dit ogenblik ziet het er niet naar uit dat dit zo evident is. De meeste pistes kosten in elk geval handenvol geld dat niet kan gebruikt worden voor kwaliteit, uitbouw van opleidingen of reductie van werkdruk.

 

Vanaf 2013-2014 oefenen de personeelsleden verbonden aan academische opleidingen hun taken uit onder de verantwoordelijkheid van de universiteit. Essentieel is het creëren van rechtszekerheid voor de betrokken personeelsleden: garanties naar behoud rechtspositieregeling (statuut, loopbaan, vakantie…) en pensioen. Voor het onderwijzend personeel blijven er twee mogelijkheden: inschaling of behoud. Een behoudstatuut is gelijk aan het behoud van de huidige rechtspositieregeling en salarisregeling, cao-afspraken, vastgelegde verlofstelsels, decretaal vastgelegde vakantieregeling… COC stelt dat alle benoemde én tijdelijke collega’s de keuze krijgen voor behoud of inschalen.

 

Voor de integratie van het onderwijspersoneel in het universitaire kader zijn de uitgangspunten dat het kan zowel onmiddellijk als op termijn, op vraag van het personeelslid of op vraag van de universiteit. Het onderwijspersoneelslid heeft de keuze om hier al dan niet op in te gaan. Een openbare vacature is geen decretale vereiste. Het universiteitsbestuur legt vooraf de voorwaarden vast waaraan moet voldaan worden. Zij moet daarbij rekening houden met het profiel van de opleiding. Consequentie is dat de personeelsleden volledig onder de rechtspositieregeling van de universiteit vallen.

 

Bij het behoudstatuut blijft de overheid vastzitten op de problematiek van het werkgeverschap. De piste waarbij de hogeschool de juridische werkgever blijft voor de betrokken personeelsleden en de universiteit de feitelijke werkgever wordt, wordt decretaal uitgewerkt omdat deze de nodige zekerheid op het gebied van pensioenen lijkt te bieden.

 

Als de overheid echt overtuigd is dat idealiter de universiteit zowel juridisch als feitelijke werkgever van de betrokken personeelsleden wordt, waarom heeft ze dan nog geen structureel overleg opgezet met de federale overheid om een echte oplossing te vinden? De problemen zijn inderdaad niet mis. Er is geen rechtszekerheid rond pensioenen als het onderwijspersoneel van de hogescholen volledig geïntegreerd worden in de universiteiten. De Vlaamse decreetgever kan geen wijzigingen aanbrengen aan het toepassingsgebied van de pensioenwetgeving. Onderwijsminister Smet zou enkel het initiatief nemen om een brief te sturen naar zijn Waalse collega Malcourt, met de vraag om samen actie te ondernemen naar de federale overheid.

 

Voor het behoudstatuut legt de Vlaamse Regering een nominatieve lijst vast van de personeelsleden verbonden aan academische opleidingen met een referentiedatum in het verleden. Daarbij komen regels voor de periode tot aan de integratie. Deze personeelsleden blijven juridisch verbonden aan de hogeschool. Zij behouden hun hoedanigheid van personeel van het niet-universitair onderwijs maar oefenen hun werkzaamheden uit onder de verantwoordelijkheid van de universiteit. Dit impliceert onder meer dat de universiteit instructies geeft over hoe de werkzaamheden moeten worden verricht, toeziet op de naleving van de veiligheids- en gezondheidsvoorschriften, de concrete opdracht en taakomschrijving van die personeelsleden bepaalt, academische rechten en plichten bepaalt (promotorschap van doctoraten, onderzoeksprojecten…). Formele beslissingen over evaluaties, tucht, bevorderingen, ontslag of verlenging van de aanstelling blijven bij de hogescholen, maar enkel met instemming of op voorstel van de universiteit. Dat vereist het decretaal vastleggen van de bevoegdheden van de hogescholen en universiteiten.

 

Voor de tijdelijke assistenten was het oorspronkelijk voorstel om bij de hernieuwing van het mandaat van twee jaar over te stappen naar het statuut van assisterend academisch personeel (AAP), met behoud van de vier termijnen. Nu lijkt het idee te primeren om deze collega’s in behoudstatuut de volledige acht jaar te laten uitdoen, met mogelijkheid tot inschaling. Voor de doctorassistenten zou dan wel bij hernieuwing van het mandaat de overstap naar het AAP statuut van de universiteit komen.

 

Vastbenoemde assistenten en werkleiders komen in behoudstatuut. Hun tijdelijke collega’s komen in het behoudstatuut en behouden de huidige mogelijkheden tot benoeming. COC stelt voor dat alle tijdelijke assistenten met meer dan acht jaar en praktijkassistenten met vijf jaar dienst als assisterend personeel automatisch een benoeming krijgen. We pleiten er ook voor het ambt van werkleiders opnieuw in te voeren, en de (praktijk)lectoren met opdracht in academische opleidingen kunnen eventueel op eigen verzoek worden benoemd tot assistent.

 

Voor het administratief en technisch personeel (ATP) verbonden aan academische opleiding ziet de overheid de mogelijkheid tot inschaling of behoudstatuut. De groep ATP die niet rechtstreeks verbonden is aan academische opleiding blijkt moeilijk af te bakenen en om geen sociaal passief te veroorzaken is er het voorstel dat de universiteit bijdraagt in het deel van de ATP-kosten. Er moet wel duidelijkheid komen wie welk deel daarvan draagt.

 

Ook voor de contractuele personeelsleden niet rechtstreeks verbonden aan academische opleiding lijkt de groep moeilijk af te bakenen. Dit wordt nog verder bekeken.  

 

Voor personeelsleden met een gemengde opdracht in het professionele en academisch onderwijs kan de noodzakelijke goede invulling van de mogelijke carrière-uitbouw en –mobiliteit ook de keuze inhouden voor het uitbouwen van één van beide. Wij blijven stellen dat deze mogelijkheid deel uit moet maken van het pakket overgangsmaatregelen.

 

Het Lot van de Mensheid

Om de overgang van het personeelsstatuut of de verandering van rechtspositie van het personeel te faciliteren, brengt het onderbrengen van de nieuwe academische opleidingen in eigen autonome entiteiten of faculteiten volgens ons de best werkbare situatie. Vraag is in welke omgeving de collega’s terecht komen. We krijgen tal van vragen over het democratisch gehalte, de academische vrijheid en het personeelsbeleid.

 

Aan de Vlaamse universiteiten zou de industrie vijftien procent van het onderzoek bestellen en betalen. Nu is een samenwerking tussen universiteit en industrie niet per se af te keuren, en kan dit producten of vindingen opleveren waar de hele samenleving voordeel bij heeft. Alleen doen de cijfers toch de vraag stellen of de afhankelijkheid van de universiteiten ten opzichte van de industrie niet te groot wordt. De betrokken rectoren verzekeren ons dat onderzoek hoe dan ook onafhankelijk blijft. Dat zal wel kloppen, maar dat neemt niet weg dat wie betaalt, ook bepaalt. Misschien niet de resultaten, maar wellicht wat er onderzocht wordt en welke richting het onderzoek uitgaat. En wie met industriegericht onderzoek bezig is, komt allicht ook minder aan fundamenteel onderzoek toe. Terwijl dit fundamenteel onderzoek vaak belangrijkere dingen voor de mensheid heeft ontdekt dan door de industrie besteld onderzoek.

 

Ook lijken de academische overheden scherp te reageren op personeel dat de vervlechting tussen industrie en wetenschap bekritiseert. In elk geval moet er in alle openheid nagedacht worden over vragen rond de academische vrijheid, de neutraliteit van wetenschap, de betrouwbaarheid van onderzoek gefinancierd door private ondernemingen, en gediscussieerd over de grenzen van de vrijheid van meningsuiting en burgerlijke ongehoorzaamheid, en de verhouding tot de vrijheid van onderzoek.

 

Rudy Van Renterghem



 
Onze website maakt gebruik van cookies.