header

« Terug naar het overzicht van Brandpunt juni 2015

Dit schooljaar juni 2015

Gekissebis

Half mei haalde de directeur-generaal van het VSKO Lieven Boeve weer het nieuws door opnieuw een oproep te doen om de prestatienoemers in het secundair onderwijs voor iedereen op 22 uur te brengen. Op de website van De Redactie werd dat als volgt vertaald ‘Alle leerkrachten middelbaar 22 uur laten werken’. Door deze titel, maar ook door de krantentitels, werd weer de indruk gecreëerd dat de opdracht van een leraar beperkt is tot zijn uurtjes lesgeven. 
Door deze wijziging door te voeren, wil Lieven Boeve de besparingen op de werkingsmiddelen en op het personeel die al in voege zijn of die in werking treden op 1 september 2015 eenmalig maken. Het is dan ook duidelijk dat Lieven Boeve deze maatregel wil doorvoeren in een besparingscontext. 

Breder kader
COC heeft, net als de andere onderwijsvakbonden, altijd gezegd deze discussie niet te willen voeren in een besparingscontext. Dat werd in september 2014 al duidelijk gemaakt in een interview in het programma De Ochtend op radio 11. Omdat we uit een antwoord op een parlementaire vraag2 aan minister Crevits vernamen dat zij het vreemd vond dat ‘de loopbaan van een leraar in contacturen wordt uitgedrukt’ en omdat we het VSKO eraan wilden herinneren dat er in verband met de opdracht van een leraar een cao werd afgesloten die ook door het VSKO werd onderschreven, gaven we ‘Een lesje geschiedenis’ in het maartnummer van Brandpunt. In Strijdpunt van het aprilnummer werd deze piste opnieuw verworpen en werd nog maar eens aangegeven waarom. Ten slotte kwamen we hier even nogmaals op terug in het artikel ‘Kiezen tussen de pest en de cholera’ in het vorige nummer van Brandpunt. 

In het kader van de besprekingen rond de besparingen hebben alle onderwijsvakbonden minister Crevits gevraagd om de al in september door Lieven Boeve gevraagde opdrachtenverhoging niet door te voeren. Minister Crevits is op deze vraag ingegaan, maar wel met de uitdrukkelijke eis dat deze piste in het loopbaandebat - maar dan in een veel breder kader - zou besproken worden. De onderwijsvakbonden gaan deze discussie niet uit de weg, maar wensen wel dat ze intellectueel eerlijk wordt gevoerd en zonder enige voorafname. Minister Crevits moet dus ook aanvaarden dat de uitkomst van een loopbaandebat kan inhouden dat de opdrachtennoemers niet wijzigen. Alleszins moeten middelen die vrij zouden komen door ingrepen in het personeelsbestand (op welke wijze dan ook), alleen kunnen worden aangewend voor doeleinden die het werk van de personeelsleden werkbaar houden of werkbaarder maken. We denken hier bijvoorbeeld aan de problematiek van de startende personeelsleden, maar onze eis is door de verhoging van de pensioenleeftijd ook pertinent voor de personeelsleden die op het einde van hun loopbaan zijn. Pistes die zouden inhouden dat deze middelen ook gebruikt kunnen worden voor uitbreiding van de pedagogische begeleidingsdiensten in het kader van het M-decreet, wijzen wij resoluut af. Alle onderwijsnetten beschikken immers over pedagogische begeleidingsdiensten die in staat moeten zijn om deze bijkomende begeleidingstaak te kunnen opnemen. Uit de evaluatie van de pedagogische begeleidingsdiensten bleek immers dat de pedagogische begeleiders te weinig op de scholen aanwezig zijn en dat zij zich ook te veel bezighouden met taken die niet decretaal voorzien zijn. 

Vlaams Parlement
Ook in het Vlaams Parlement werd op 20 mei een hartig woordje gesproken over de uitspraken van Lieven Boeve. In een eerste reactie gaf minister Crevits aan ongelukkig te zijn met de uitspraken van Lieven Boeve omdat de indruk gewekt werd dat leraren maar 20, 21 of 22 uren werken. ‘Een leraar in Vlaanderen werkt zoveel meer! Wie daaraan twijfelt, heeft met zo’n krantenkop weer voer om te zeggen: “Je moet eens kijken waarover ze weer spreken.” Laat me klaar en duidelijk stellen: een opdracht van een leraar in Vlaanderen is veel meer en veel breder dan de 20,21 of 22 uren dat ze voor de klas staan.’ Vervolgens wees ze erop dat dit debat niet in de media gevoerd moet worden. De eerste afspraken zijn al gemaakt met werknemers en werkgevers om de bouwstenen samen te brengen en het debat zal er komen, maar op rustige manier, buiten een besparingscontext. Minister Crevits toonde zich vervolgens hoopvol om tussen nu en de start van het volgend schooljaar grote stappen vooruit te kunnen zetten en ze hoopte om tegen het begin van het volgende parlementaire jaar met een concept te kunnen komen.

Sociaal akkoord
Het voornaamste dat we leerden uit de discussie in het Vlaams Parlement was dat minister Crevits snel tot een sociaal akkoord wil komen. Dat was ook de betrachting van minister Smet, maar die laadde de kar veel te vol. Elk probleem dat zich stelde, werd verwezen naar het loopbaandebat. Dat is vooralsnog niet het geval bij minister Crevits, maar wellicht maakt ze zich toch illusies over de snelheid waarmee een en ander zou kunnen gaan. Dat er zal gesproken worden over de loopbaan van de leraar en dat in dat debat ook de opdracht van een leraar ter sprake komt, dat is afgesproken. Maar het wordt een heel moeilijk debat waarbij ook het werkveld geconsulteerd moet worden. COC zal in dat debat vertrekken van de cao die in 2006 werd afgesloten.  

Cao VI
Deze cao bevatte een punt ‘Loopbaanontwikkeling’. Dat was het resultaat van lange en moeilijke besprekingen met minister Vandenbroucke, met de koepels van inrichtende machten en het GO! en de vakbonden over de ‘schoolopdracht’ van een leraar secundair onderwijs. De opdracht van de leraar secundair onderwijs zou voortaan vastgelegd worden in een geïndividualiseerde functiebeschrijving die uit twee delen bestond: de geïntegreerde lerarenopdracht (met daarin begrepen de nascholingsverplichtingen) en de instellingsgebonden opdrachten. De argumentatie om in 2006 deze nieuwe visie over de opdracht van een leraar in te voeren, was toen woordelijk dezelfde als wat we lazen in de voorstellen van minister Smet (het volledige takenpakket van een leraar moet zichtbaar gemaakt worden omdat er in de samenleving nogal wat misverstanden bestaan over de invulling van het beroep van leraar) en wat we nu weer hoorden naar aanleiding van de uitspraken van Lieven Boeve. Ook in 2006 werd (zoals nu opnieuw) gesteld dat het niet de bedoeling was om de opdracht van een leraar te verzwaren. Nochtans gebeurde dat. Enerzijds omdat omwille van diverse redenen de lerarenopdracht zelf zwaarder werd en anderzijds vanwege de toename van de instellingsgebonden opdrachten. Eén van de problemen met de opdracht van een leraar zoals die er nu uitziet, is dat er geen maximumprestaties zijn vastgelegd. Dat aspect leidt ertoe dat de kar alsmaar voller wordt gelaten. Eén van de uitdagingen voor het loopbaandebat is dan ook de vraag hoe we dat fenomeen een halt kunnen toeroepen. 

Kernopdracht
Als het gaat over de opdracht van een leraar wordt dikwijls het zaligmakend concept van de ‘jaaropdracht’ naar voren geschoven. Aan de pleitbezorgers hiervan vragen wij dat zij dat concept eens concreet ontwikkelen voor personeelsleden die voltijds werken en voor personeelsleden die deeltijds werken, voor personeelsleden met een opdracht gespreid over verschillende scholen, voor personeelsleden die andere personeelsleden vervangen… Hoe zorgt dat concept ervoor dat er een gelijke taakbelasting is, dat het werk werkbaar blijft en dat er dus een halt toegeroepen wordt aan de stijgende taakbelasting, dat een leraar in de mogelijkheid gesteld wordt om zijn competenties op peil te houden en te ontwikkelen gedurende zijn volledige loopbaan...? En misschien kunnen die pleitbezorgers zich ook eens buigen over de kernopdracht van een leraar. Zijn de huidige instellingsgebonden opdrachten van een leraar wel altijd opdrachten voor een leraar? Worden er niet al te dikwijls taken doorgeschoven naar de leraar die in feite de zijne niet zijn? Dat laatste werd weer pijnlijk duidelijk toen de coördinerende directeur van de scholengemeenschap Sint-Nicolaas op 20 mei op de radio zei dat hij bepaalde taken naar de leraren zou moeten doorschuiven als de besparingsmaatregel van minister Crevits op het ondersteunend personeel zou doorgaan. Zo’n uitspraak toont ten overvloede aan met welke bril er soms gekeken wordt naar de opdrachten van leraren. Misschien kan Hilde Crevits met haar besparingsbril ook eens kijken in de richting van de algemene directeurs en de coördinerende directeurs! 

Jos Van Der Hoeven      



 
Onze website maakt gebruik van cookies.