header

« Terug naar het overzicht van Brandpunt maart 2019

Dit schooljaar maart 2019

Duaal leren: kansen en risico’s

Duaal leren, het paradepaardje uit de gemeenschappelijke stal van het departement Muyters (Werk) en Crevits (Onderwijs), gaat vanaf 1 september 2019 op volle kracht vooruit. De decreten zijn aan een ijltempo door de politieke besluitvormingsmachine gejaagd zonder grondige evaluatie van de tijdelijke projecten. COC is altijd van mening geweest dat duaal leren een waardevol pedagogisch lesmiddel kan zijn, maar dan onder de juiste voorwaarden, ook voor de leraren die de begeleiding doen. Het SONO-onderzoek[1] (uitgevoerd door UGent) geeft ons een inkijk op internationaal vergelijkend literatuuronderzoek en redenen om waakzaam te zijn. Bij gebrek aan een grondige evaluatie van de proefprojecten.

Sinds de ontwikkeling van het idee om het werkplekleren te harmoniseren en te hervormen, zijn in totaal 1163 leerlingen in 129 scholen gestart in het tijdelijk project ‘Schoolbank op de werkplek’. Ondertussen dienden 99 scholen, in totaal 399 programmatiedossiers, een aanvraag in om een structuuronderdeel te mogen organiseren. Ook scholen voor buitengewoon onderwijs tonen belangstelling. De doelstellingen van duaal leren zijn helder: duaal leren moet iets doen aan de ongekwalificeerde uitstroom van leerlingen, het moet de jeugdwerkloosheid verlagen en zorgen voor een betere aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt.

Is het een noodzakelijke hervorming?
Het SONO-onderzoek vergelijkt in zijn studie de effecten van duaal leren op de jeugdwerkloosheid in landen waar duaal leren aangeboden wordt. In deze vergelijking scoort Vlaanderen, volgens de onderzoekers op het vlak van de relatieve jeugdwerkloosheidsgraad (absolute jeugdwerkloosheid tegenover de absolute werkloosheidsgraad onder volwassenen) gemiddeld hoger dan in landen waar duaal leren al een lange traditie kent. Vooral in het segment van de midden- en laaggeschoolden lijken deze hoge cijfers een hervorming van het werkplekleren te ondersteunen.

Arbeidsmarktintrede en latere loopbaan?
Of het duaal leren de verwachtingen zal inlossen, is onder meer afhankelijk van de arbeidsmarktkansen aan de start van de loopbaan. Hier constateren de onderzoekers dat internationaal gezien leerlingen die duale opleidingen volgen goed scoren in vergelijking met jongeren zonder kwalificatie secundair onderwijs, leerlingen uit ASO en in mindere mate met leerlingen die een klassieke beroepsgerichte vorming genoten. Deze vaststelling is onder meer te verklaren omdat deze leerlingen vaak een tewerkstellingskans krijgen op hun werkplek.

Op lange termijn zijn de studies minder enthousiast. Leerlingen die een duale opleiding volgden, hebben het moeilijker om aan de bak te komen als ze door herstructureringen of andere omstandigheden terug op de arbeidsmarkt komen. Volgens de literatuurstudie zijn de competenties van deze leerlingen, in vergelijking met leerlingen die een meer generieke opleiding genoten, sneller verouderd en vaak te specifiek zijn. Binnen het systeem van duaal leren zijn vaak minder kansen om een bredere set aan competenties te ontwikkelen. Dit kan de leerlingen op lange termijn kwetsbaar maken, zeker in een technisch snel veranderende wereld.

Ongekwalificeerde uitstroom en doorstroom
Duaal leren kan leerlingen stimuleren om te leren en een kwalificatie te halen. Maar om de ongekwalificeerde uitstroom tegen te gaan, moet er een groot aanbod aan kwalitatieve leerplekken zijn. Daarnaast is het zoeken en vinden, maar vooral houden van een werkplek voor leerlingen met een kwetsbare achtergrond of een problematiek een te grote uitdaging en kan dit het behalen van een kwalificatie belemmeren.

De doorstroom van leerlingen duaal in hoger onderwijs is in landen waar duaal leren een sterke traditie kent, zoals Duitsland niet groot. Meer nog, leerlingen die een grotere praktijkcomponent in hun opleiding secundair genieten, hebben in de internationale onderzoeken minder kansen op slagen in het hoger onderwijs.

Vlaamse context
Het succes van het duale verhaal zal afhangen van de mate waarmee werkgevers en jongeren willen participeren. Maar ook van de grootte van de investeringen. De context waarin het duaal leren in Vlaanderen zich moet ontwikkelen, zoals onder meer de loonstructuur, een lage arbeidsmobiliteit en een sterk sociaal partnerschap, zijn enerzijds elementen in het voordeel.

Anderzijds is duaal leren nog niet ingeburgerd en heeft het nog geen reputatie opgebouwd. Duaal leren gedijt goed als er veel grote bedrijven aanwezig zijn in een land of regio. Vlaanderen heeft hier met een dominantie aan KMO’s en zelfstandigen een nadeel.

Organisatie en regulering
De onderzoekers namen de wetgeving onder de loep en maken vanuit de literatuurstudie een aantal fundamentele kanttekeningen. Vooreerst zijn er de loonkosten en de subsidiëring van de tewerkstellingen van leerjongeren. Hierbij identificeren de onderzoekers de matige ondersteuning voor KMO’s en zelfstandige ondernemers. Voor de ondernemers is de duurtijd van de opleiding en de arbeidstijd niet evident om aan het einde een nettobaat te realiseren. Dit kan resulteren in een lagere participatie van leerplekaanbieders.

De bewaking van de kwaliteit en de standaardisering van de leerwerkplekken en opleidingen zijn bepalend voor de reputatieopbouw van het duale leren. Vlaanderen neemt, in vergelijking met duale landen, een minder strikte houding aan. Dit houdt een risico in voor de uitrol van duaal leren op lange termijn.

Integratie in het onderwijssysteem
Het parallel uitrollen van duaal en niet-duaal leren kent een aantal voordelen. Zo kunnen leerlingen die niet-arbeidsrijp zijn opgevangen worden, is er minder afhankelijkheid van het aanbod aan leerwerkplekken en beperkt dit ook het risico op verlaagde doorstroom naar hoger onderwijs. Nadelig is dan de beperkte opbouw van reputatie in duaal leren.

Verder is voor het TSO duaal leren een goede zaak omdat hiermee sterke profielen kunnen worden aangetrokken, maar er is een risico dat leerlingen in BSO verdrongen worden. Daarnaast, en niet onbelangrijk, is het risico op het niet samen leren opbouwen van generieke vaktechnische en specifieke competenties.

Geef duaal leren een kans!
Duaal leren heeft potentieel, maar is niet zonder risico. Het onderzoek doet een aantal beleidsaanbevelingen. Er zal volgens de onderzoekers duidelijk meer gericht geïnvesteerd moeten worden, vooral in KMO’s en bij zelfstandigen. Grote bedrijven hebben doorgaans meer mogelijkheden en zouden ook zonder incentives kunnen instappen. Daarnaast moet er vooral aandacht gaan naar leerlingen met een kwetsbare achtergrond. En ook leerlingen met een beperking moeten een goede ondersteuning krijgen. De kwaliteit moet gegarandeerd worden en de opleiding van mentoren is van fundamenteel belang. De focus moet ook liggen op het aanbieden van generieke competenties om perverse langetermijneffecten te vermijden, vooral in het TSO, ook met het oog op slaagkansen in hoger onderwijs.

Tot slot, COC blijft het duaal leren volgen en voor ons moet er een fundamenteel onderscheid blijven tussen leren en werken. Leerlingen in duale trajecten moet men te allen tijde als leerlingen zien en niet als volwaardige werknemers! Onderwijs mag niet ten prooi vallen van een te eenzijdige marktlogica. Onderwijs is van en voor iedereen en mag nooit de slaaf worden van een ander beleidsdomein.

Filip Vandenberghe



 
Onze website maakt gebruik van cookies.