header

« Terug naar het overzicht van Brandpunt januari 2010

Dit schooljaar januari 2010

Strijdpunt

De leraar is de sleutelfiguur

De begroting 2010 is goedgekeurd door het Vlaams Parlement. De besparingen, ook in het onderwijs, liggen dus vast. De verklaring van minister Smet dat er boven de klas bespaard wordt en niet in de klas, is alleen voor zijn rekening. Dat is ook het geval met zijn uitspraak op 2 december in de commissie Onderwijs en Gelijke Kansen van het Vlaams Parlement. Daar beweerde de minister dat door de besparingen "niemand zijn baan zal verliezen". Wie zou zoiets nog durven beweren?

Uit de reacties op de getroffen besparingsmaatregelen blijkt duidelijk dat enkele besparingen heel moeilijk verteerbaar zijn. Bijna altijd komen de besparingen op de mentoruren en op de uren pedagogische coördinatie in het TSO/BSO onmiddellijk ter sprake. Beide besparingsmaatregelen brengen samen ongeveer 30 miljoen euro op. Dat komt neer op minimaal 650 voltijdse betrekkingen. Er zal dus ontegensprekelijk een banenverlies zijn. Door de versnippering over veel scholen zal dat niet zo zichtbaar zijn als bij DHL of bij Opel, maar dat maakt de realiteit niet minder hard. Dat andere maatregelen tewerkstelling zullen creëren, doet niets af aan de vaststelling dat er in het onderwijs volgend schooljaar minder banen zullen zijn dan zonder besparingen. Waarom is het toch zo moeilijk om dat toe te geven? En dat er niet in de klas bespaard zal worden, is ook niet juist. Het is niet omdat men de aanwendingspercentages op de lesurenpakketten (voor één keer) onaangeroerd laat dat er geen effecten merkbaar kunnen zijn in de klas. Het afschaffen van de uren pedagogische coördinatie kan wel degelijk een effect hebben in de klas. En als de afschaffing van de mentoruren leidt tot het (nog meer) gebruiken van uren bijzondere pedagogische taken voor mentorschap, dan voelen de leerlingen en de leraars in de klas dat gegarandeerd.

Solidariteit

Om de onderwijsbesparingen te verdedigen, verwees minister Smet in het Vlaams Parlement naar het solidariteitsmechanisme. Dat mechanisme kwam in augustus al bij COC ter sprake, want het eerste dat COC zich afvroeg, was of er argumenten waren om te kunnen stellen dat men overal mocht besparen, maar niet in het onderwijs. Een andere stelling die geopperd werd, was dat de overheid in Vlaanderen niet moest besparen. De banken hadden de crisis veroorzaakt en de banken moesten dan maar opdraaien voor de gevolgen ervan. En bovendien moest de overheid maar nieuwe inkomsten zoeken als ze nieuwe initiatieven wilde nemen.

De meerderheid binnen COC was evenwel van mening dat er geen goede argumenten waren om het solidariteitsmechanisme in vraag te stellen. Dat mechanisme werd overigens ook niet ten volle gehanteerd. Vlaanderen besteedde in 2009 36,9 % van zijn middelen aan onderwijs, terwijl het aandeel van de onderwijsbesparingen maar 4,7 % van de totale besparing bedraagt. Dat brengt met zich mee dat het aandeel van onderwijs in de totale Vlaamse begroting stijgt tot 39 %. In het verslag van de Commissie Onderwijs kan je lezen dat dit aantoont dat de Vlaamse Regering ervoor kiest om verder te blijven investeren in de toekomst, ook in budgettair moeilijke tijden. COC betwijfelt dat! Bij de regeringsonderhandelingen werden weinig nieuwe middelen voor onderwijs voorzien: 80 miljoen euro in 2014, bij een prognose van 1 miljard euro nieuwe middelen. Dat is ook maar 8 % van het beschikbare budget en géén 39 %. Bovendien zijn die 80 miljoen ruim onvoldoende om de ambities van het regeerakkoord te realiseren. Alleen al de ambitie om de hogescholenenveloppe met 10 % te verhogen, kost 130 miljoen euro. Ook de ambitie om de omkadering en werkingsmiddelen van het kleuteronderwijs gelijk te schakelen met die van het lager onderwijs kost tientallen miljoenen euro. Wil de Vlaamse Regering alle ambities van haar regeerakkoord waarmaken, dan zal ze veel meer moeten investeren in het onderwijs dan wat ze in juli 2009 van plan was.

Blijvend investeren in onderwijs is ook noodzakelijk omdat het onderwijs de krachtigste hefboom is van sociale gelijkheid en sociale cohesie. Maar een gelijkekansenbeleid moet niet alleen gevoerd worden in het onderwijs. Ook op andere beleidsdomeinen zoals werk en huisvesting moet daar daadkrachtig werk van gemaakt worden. Gebeurt dat in onvoldoende mate, dan dweilt men in het onderwijs met de kraan open.

De leraar centraal

In zijn beleidsnota formuleert minister Smet een strategische doelstelling die ons mooi in de oren klinkt: de leraar moet erkend worden als sleutelfiguur in de vorming van open, veelzijdige en sterke persoonlijkheden. De minister schrijft dat kwaliteitsvol onderwijs staat of valt met goede leerkrachten, dat zij de spil vormen van het leerproces en de echte bouwstenen van een school zijn.

Dat klinkt niet alleen mooi, maar het is nog waar ook! Het aantrekken en het behouden van goed onderwijspersoneel is voor een kwaliteitsvol onderwijs essentieel. Het nakende debat over de loopbaan van de leraar is dus erg belangrijk. Veel facetten zullen aan bod moeten komen: de opleiding van de studenten, de loopbaanstart, de begeleiding, de nascholing, de uitbouw van de loopbaan en het einde ervan, …

Met het oog op de geplande hervormingen van het deeltijds kunstonderwijs  en het secundair onderwijs is het nuttig hierop te wijzen: als de leraar echt een sleutelfiguur is in het onderwijs, moet men daar bij deze hervormingen voldoende oog voor hebben. Door hervormingen structuren wijzigen heeft immers geen zin als de leraren van oordeel zouden zijn dat de hervorming van die structuren geen oplossing biedt voor de vastgestelde problemen. Een cruciale vraag is of men de structuren wel moet of zelfs kán wijzigen zonder tegelijk te investeren in de vorming van het personeel. Even belangrijk is de aanpak van de personeelsproblematiek. Als men het personeelsluik bekijkt zoals dat al te vaak het geval is, namelijk als een vervelend aanhangsel van de hervorming, dan moet men niet aan hervormingen beginnen.


Jos Van Der Hoeven



 
Onze website maakt gebruik van cookies.