header

« Terug naar het overzicht van Brandpunt maart 2008

Dit schooljaar maart 2008

Bedrijfsstages: duidelijkheid gewenst

Sinds 1 november 2005 loopt er een tijdelijk project waardoor het mogelijk wordt dat leraars, technisch adviseurs en technisch adviseurs-coördinator in een aantal scholen van het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs kunnen worden vervangen als ze met bedrijfsstage gaan. Dat project eindigt op 31 augustus e.k., werd inmiddels geëvalueerd en zal bijna zeker vanaf volgend schooljaar uitgebreid worden naar alle secundaire scholen. Maar dat is op dit ogenblik dan ook het enige wat ongeveer vaststaat.

In het kader van dat project werd onder bedrijfsstage verstaan de periode waarin de voormelde personeelsleden in een ander arbeidsmilieu hun verdere professionele ontwikkeling uitbouwen. De eerste vraag nu is dan ook of deze ruime definitie in de toekomst gehandhaafd zal blijven. Deze vraag is des te prangender nu er stemmen opgaan om, weliswaar in specifieke omstandigheden, bedrijfsstages financieel aan te moedigen.

Gebrekkige evaluatie van het project

Als uit de evaluatie één ding duidelijk is gebleken, dan is het wel dat het budget dat voor de vervangingen werd voorzien, maar voor één derde werd opgebruikt. De hoofdreden hiervoor is dat het allesbehalve evident is om vervangers te vinden voor personeelsleden die met bedrijfsstage gaan.
In Klasse van februari jl. - een blad dat meer en meer de indruk wekt een propagandablad te zijn voor het beleid van de minister - werd wel erg euforisch gedaan over deze bedrijfsstages (negen op tien zijn tevreden, driekwart van de leraren past hun les aan, driekwart zegt het voort…). Toch wordt een en ander best wat genuanceerd.

De evaluatie gebeurde immers via een schriftelijke bevraging met een veel te kleine respons van zowel de bedrijven als de leraars om er echt lessen te kunnen uit trekken. Zo antwoordde bijvoorbeeld maar 19% van de leraren die met bedrijfsstage gegaan waren de enquête. Van de bedrijven ontving men (maar) 57 antwoorden.
Overigens weet geen mens hoeveel bedrijven stageperiodes hebben aangeboden en in hoeveel bedrijven leraars een bedrijfsstage hebben gedaan. Op een aantal andere vragen geeft het evaluatierapport ook geen antwoord. Zo zou het zinvol geweest zijn te vernemen wat het effect is van een bedrijfsstage die korter is dan één week. En of er een onderscheid moet gemaakt worden tussen bedrijfsstages van leraars algemene vakken en bedrijfsstages van leraars belast met technische en praktische vakken.
Gelet op de verhalen die de ronde doen over het gebruik van de middelen die voor de vervangingen voorzien waren, zou het ook zinvol geweest zijn om te onderzoeken of die middelen wel expliciet gebruikt werden voor de doeleinden waarvoor ze bestemd waren. Zou het onechte gebruik ook niet één van de redenen (of dé reden) kunnen zijn van een te lage respons?

In ieder geval toont deze evaluatie aan dat een betere opvolging van de bedrijfsstages meer dan noodzakelijk is en dit op alle vlakken.

De toekomst

Niemand zal ontkennen dat bedrijfsstages wel degelijk zin kunnen hebben. Door middel van bedrijfsstages krijgen leraars immers concreet de kans om in een bedrijf scholing te volgen. Dit kan bijscholing zijn in het gebruik van nieuwe machines en technieken, maar ook bv. een  kennismaking met de reële bedrijfscultuur.
Dat men hier in de eerste plaats denkt aan de leraars belast met technische en praktische vakken, zal niemand verwonderen. Daarom is het thema 'bedrijfsstages' trouwens één van de elementen in de competentieagenda die minister Vandenbroucke afsloot met de interprofessionele sociale partners. Door middel van de competentieagenda verbonden de sociale partners er zich toe de bedrijven te mobiliseren voor een groei naar 30.000 stageplaatsen over een periode van vijf jaar voor leraren technische en praktische vakken.

Het probleem met zulke intentieverklaring is evenwel dat ze enerzijds zeer concreet is in cijfers, maar anderzijds ook zeer vaag is naar inhoud. Hoe en waar gaat men deze stageplaatsen creëren? Worden deze plaatsen bekendgemaakt? Hoe lang zouden deze stages duren? In welke sectoren gaan er stageplaatsen aangeboden worden? Welk instrument wordt er gebruikt om na te gaan wat er in de praktijk van deze intenties terechtkomt? Het heeft immers geen zin een hele onderwijsreglementering rond bedrijfsstages uit te werken als zou blijken dat deze intenties alleen papieren intenties zouden zijn.

Parlementaire suggestie voor compensaties

Naar aanleiding van het evaluatierapport rond de bedrijfsstages bracht Kathleen Helsen deze problematiek onlangs ter sprake in het Vlaams Parlement. Concreet stelde zij ook de vraag welke concrete maatregelen de minister zou nemen om lerarenstages aantrekkelijker te maken. In deze vraag werd zij bijgesprongen door Jos De Meyer en Monica Van Kerrebroeck. Deze laatste stelde ook de vraag of er niet moest gezocht worden naar een systeem van een minivervangingspool van mensen die vast in dienst zijn en die ingezet zouden kunnen worden om vervangingen inzake bedrijfsstages te doen. Bovendien stelde zij ook vast dat het moeilijker lag om een bedrijfsstage te lopen tijdens de vakantieperiodes. Zij deed de suggestie om te voorzien in een compensatie voor die leerkrachten die tijdens hun vakantie stage willen lopen.

Minister Vandenbroucke bleef in zijn antwoord redelijk vaag. Vooreerst stelde hij dat in het kader van de competentieagenda de lat inderdaad hoog werd gelegd voor lerarenstages. Vervolgens verwees hij naar overleg met de inrichtende machten en met de representatieve vakorganisaties. Dat overleg zou moeten resulteren in een kadertekst waarbinnen in de toekomst iedere leraar technische vakken en praktische vakken om de vijf jaar een week stage kan lopen. Ook andere personeelsleden zouden niet uitgesloten worden.
De discussie over de bedrijfsstages wordt verdergezet na de Paasvakantie. Dan zal blijken hoe minister Vandenbroucke reageert op onze vragen en opmerkingen (zie kaderstukken).

Jos Van Der Hoeven



 
Onze website maakt gebruik van cookies.