header

« Terug naar het overzicht van Brandpunt februari 2006

Dit schooljaar februari 2006

Discussienota leerzorg van minister Vandenbroucke

Vanaf 1 september 2009 wil onderwijsminister Vandenbroucke een hervorming van het onderwijs voor kinderen met specifieke leer- en zorgbehoeften. Dat schrijft hij in zijn discussienota 'Leerzorg in het onderwijs. Een kader voor zorg op maat voor elk kind'. De kritiek op het systeem van buitengewoon onderwijs zoals wij dat nu kennen is niet nieuw. De voorstellen tot een hervorming van het systeem evenmin. Deze al druk besproken discussienota is een eerste stap naar een grondige vernieuwing.

Wat loopt er nu mis?

Stijging
De laatste jaren is het aantal leerlingen in het buitengewoon onderwijs enorm toegenomen, zowel in het lager als het secundair onderwijs. Over een periode van 15 jaar zou die toename 39% bedragen (van 33.000 naar 46.000 leerlingen).
In het buitengewoon secundair onderwijs merken we vooral een sterke stijging van type 3 (ernstige emotionele of gedragsproblemen). We vinden steeds meer kansarme leerlingen in het buitengewoon onderwijs en ook het aantal GON-leerlingen (leerlingen met speciale behoeften die in het gewoon onderwijs geïntegreerd worden) groeit.

Spanningsveld
Binnen onderwijs is er de laatste jaren een spanningsveld ontstaan over de toegang tot onderwijs voor leerlingen met specifieke noden.
Een bepaalde groep ouders beklemtoont het recht op vrije schoolkeuze en het recht op redelijke aanpassingen in de school die ze kiezen. Een rolstoelgebruiker moet kunnen kiezen voor een gewone school, die erop let dat de klas waarin hij les volgt toegankelijk is (dus bv. niet op de 3e verdieping).
Een andere groep benadrukt dan weer het recht op aangepast onderwijs. Zij vinden dat de overheid moet zorgen voor aparte, aangepaste scholen die voldoende tijd en expertise hebben om hun kinderen te begeleiden.

Typologie
Leerlingen met specifieke leerbehoeften worden op dit moment ingedeeld in 8 types van problemen. Die indeling is ondertussen bijna 30 jaar oud en wordt al geruime tijd in vraag gesteld. Ouders en leerkrachten vinden dat men met de huidige typologie te veel in 'hokjes' denkt. De types zouden te eng en te stigmatiserend zijn voor de leerlingen.
De praktijk toont dat de inschatting en draagkracht van school en CLB sterk mee bepaalt of en welk attest een leerling krijgt. Zo zouden scholen en CLB's die moeilijk kunnen omgaan met een leerling met een gedragsstoornis, sneller geneigd zijn om een attest te geven en door te verwijzen naar het buitengewoon onderwijs.
Er is ook nog een aantal specifieke en praktische moeilijkheden met de typologie. De grens tussen type 1 (lichte mentale handicap) en type 2 (matige tot ernstige mentale handicap) is niet altijd gemakkelijk te trekken. Het is ook niet altijd duidelijk waar een leerling met een meervoudige handicap thuishoort. Bovendien zijn er ook problemen die niet in de types passen, denk maar aan autismespectrumstoornissen, ernstige vormen van hyperactiviteit of ernstige psychische stoornissen. In de praktijk gaat men daardoor erg 'creatief' om met attesteringen.

Verwijspraktijk
Er blijkt ook een aantal knelpunten te zitten in de verwijspraktijk naar het buitengewoon onderwijs. Ouders en leerlingen zouden te weinig betrokken worden. Ook de ondersteuning om een school te vinden op maat van de leerling blijkt soms ondermaats te zijn.
Veel kansarme leerlingen worden doorverwezen naar het buitengewoon onderwijs op basis van factoren die daar in feite niets mee te maken hebben. Denk maar aan taalproblemen bij allochtonen of het gebrek aan schoolse vaardigheden bij kansarme gezinnen.

GON
Vanuit het geïntegreerd onderwijs (GON) wordt een aantal problemen gesignaleerd: leerlingen met een (bijkomende) verstandelijke beperking krijgen geen GON-ondersteuning; de GON-ondersteuning staat niet in verhouding tot de ondersteuning die het kind in het buitengewoon onderwijs zou krijgen; vaak is de GON-ondersteuning te veel kindgericht en te weinig teamgericht; voor type 3 en type 8 beperkt de begeleiding zich tot reïntegratie in het gewoon onderwijs; de duur van de begeleiding is vaak niet aangepast aan de noden; er kruipen veel tijd en middelen in de verplaatsingen van de GON-begeleiders; en ten slotte is de integratietoelage onvoldoende om alle kosten te vergoeden.

Ondersteuningsaanbod
Ouders van en leerlingen met specifieke onderwijs- en leerbehoeften staan voor een moeilijke keuze. Ze zitten met een heleboel vragen. Als ik kies voor het gewoon onderwijs, kan dat wel genoeg zorg bieden aan mijn kind? Krijgt mijn kind geen stigma wanneer het naar het buitengewoon onderwijs gaat? In het buitengewoon onderwijs is busvervoer voorzien, maar hoe lang zal mijn kind op de bus moeten zitten? Vaak is het wikken en wegen en spelen ook praktische en sociale aspecten een rol bij de schoolkeuze.

Spreiding
Het aanbod aan buitengewoon onderwijs is niet evenwichtig verspreid over Vlaanderen, zowel in het basis- als secundair onderwijs. Het gevolg daarvan is dat leerlingen vaak erg lang op de bus zitten, zo lang dat ouders soms internaatsopvang moeten kiezen. Een ander gevolg is dat leerlingen soms georiënteerd worden volgens het lokale aanbod, en niet volgens hun noden.

Leerzorgkader

Al deze bedenkingen hebben ertoe geleid dat men is gaan nadenken over een nieuw systeem van onderwijs voor leerlingen met specifieke onderwijs- en leerbehoeften.
Centraal in het nieuwe voorstel is het leerzorgkader, een matrix van zorgniveaus en clusters (zie schema). Het kader groepeert problemen van leerlingen volgens hun aard en hun ernst en vult daarvoor de nodige leerzorg in.
Men gaat ervan uit dat niet alle leerlingen probleemloos hun schoolloopbaan doorlopen, om allerlei redenen. Er zijn leerlingen met problemen thuis, leerlingen met drugsproblemen, leerlingen die van thuis uit weinig ondersteuning krijgen… Maar er zijn ook leerlingen met geestelijke, lichamelijke of sociaal-emotionele problemen.
Het leerzorgkader moet een antwoord bieden op de vraag: hoe kan het Vlaams onderwijs al die leerlingen een gepast onderwijsaanbod geven dat rekening houdt met hun specifieke onderwijsbehoeften, los van de onderwijsstructuur (gewoon of buitengewoon) waarin ze zich nu bevinden?

Vier clusters

De vier clusters komen in de plaats van de acht types van het buitengewoon onderwijs. Ze groeperen een aantal specifieke problematieken. Deze clustering heeft tot gevolg dat scholen voor buitengewoon onderwijs zich ruimer zullen openstellen en ook leerlingen zullen opvangen die nu niet tot hun doelgroep behoren. Ook het gewoon onderwijs zal een grotere diversiteit van leerlingen opvangen.

Leerlingen in cluster 1 hebben geen beperkingen of ontwikkelingsstoornissen. Toch hebben ze op een bepaald ogenblik een probleem, dat tijdelijk extra zorg vraagt (specifieke omstandigheden zoals een echtscheiding, een bepaalde socio-economische of socio-culturele situatie, hoogbegaafdheid…). Deze problemen moeten door het zorgbeleid en het gelijke kansenbeleid van de school opgevangen kunnen worden.
Cluster 2 omvat de leerlingen met leerbeperkingen (door een leerstoornis of door beperkte verstandelijke mogelijkheden; huidige types 1 en 8). Om deze leerlingen te helpen, heb je een grondig inzicht in leerprocessen nodig.
Leerlingen uit cluster 3 zijn de leerlingen met functiebeperkingen: verstandelijk, fysiek of zintuiglijk (o.a. huidige types 2, 4, 6, 7). Hier zijn specifieke tussenkomsten nodig om het leerproces toegankelijk te maken (didactisch, technisch…). Hier situeren ook de leerlingen met meervoudige functiestoornissen zich.
Cluster 4 groepeert de leerlingen met beperkingen in de sociale interactie: leerlingen met gedrags- en emotionele problemen, ADHD, autisme, autismespectrumstoornissen. Deze leerlingen hebben structurerende opvoedingstechnieken nodig.

Vier zorgniveaus

De zorgniveaus vervangen de opdeling tussen buitengewoon en gewoon onderwijs. Ze verwijzen naar kenmerken van het onderwijs en geven aan hoe men onderwijs kan aanpassen inzake curriculum, manier van onderwijzen, organisatie en evaluatie, bijkomende personeelsleden en/of materiële middelen. De mate waarin het onderwijs moet aangepast worden, bepaalt het zorgniveau.
Zorgniveau I en II zijn bedoeld voor het gewoon onderwijs. Vanaf niveau II zijn steeds meer aanpassingen nodig.

Op zorgniveau I zal men bij problemen het leerproces bijsturen door preventie, differentiatie en remediëring. Op dit niveau volgt de school het gewone curriculum, streeft de eindtermen na en reikt de gangbare diploma's en getuigschriften uit. De ondersteuning van het team gebeurt door CLB en pedagogische begeleidingsdiensten.
Ook op zorgniveau II worden de eindtermen nagestreefd en diploma's uitgereikt, maar daarvoor worden 'faciliterende, compenserende en dispenserende maatregelen' getroffen. Er worden dus speciale hulpmiddelen ter beschikking gesteld, afspraken gemaakt over de aanpak van een leerling, vrijstellingen verleend… De gewone begeleidingsdiensten (CLB en pedagogische begeleiding) bieden een teamgerichte ondersteuning; ook het buitengewoon onderwijs kan de school ondersteunen. CLB kan ook instaan voor individugerichte begeleiding.
Op zorgniveau III kunnen leerlingen zowel gewoon (d.i. inclusie) als buitengewoon onderwijs volgen. Het gewone curriculum wordt verlaten en men werkt met een handelingsplanning en ontwikkelingsdoelen. De betrokken leerlingen krijgen alternatieve certificaten. Hier zijn bijkomende middelen nodig voor ondersteuning, coaching, assistentie, hulpmiddelen, nascholing… De ondersteuning is team-, leerkracht- en leerlinggericht, en kan ook van buiten onderwijs komen. De leerlingen krijgen een specifieke omkadering en werkingsmiddelen. De ouders kunnen kiezen voor een gewone of buitengewone school. De scholen voor gewoon onderwijs die zo'n leerling opvangen, krijgen hetzelfde equivalent aan middelen. De school kan echter een leerling weigeren op basis van gebrek aan draagkracht (cf. GOK-I).
Leerlingen van zorgniveau IV volgen alleen buitengewoon onderwijs. Zij hebben een blijvende nood aan gespecialiseerde therapie en verzorging, met residentieel of semi-residentieel verblijf in een voorziening. Voor deze leerlingen zal een eigen financieringssysteem worden toegepast.

Er bestaat ook nog een apart zorgniveau voor leerlingen die tijdelijk of niet naar school gaan. Hier kan je de ziekenhuisscholen, de preventoria, permanent en tijdelijk onderwijs aan huis en onderwijs in de K-diensten plaatsen.

Matrix

De zorgniveaus en de clusters kunnen gecombineerd worden tot een matrix
(zie schema). Voor elke leerling wordt nagegaan welk zorgniveau aangewezen is om aan zijn onderwijs- en leerbehoefte tegemoet te komen.
In de matrix lees je de specificaties per cluster. Je zal merken dat leerlingen zonder echte beperkingen niet meer terug te vinden zijn op zorgniveau III en IV en leerlingen met leerbeperkingen niet op zorgniveau IV.

Toewijzing en overgangen

De indicatiestelling, die een leerling binnen een cluster plaatst, zal gebeuren door het CLB, indien nodig aangevuld met een verklaring van een arts-specialist. In overleg met de ouders, de school en de leerling zelf zal het CLB ook het zorgniveau van de leerling bepalen op basis van een onderbouwde en handelingsgerichte diagnose.
Een leerling kan nog van zorgniveau veranderen. Een overgang van zorgniveau moet steeds verantwoord worden door CLB en school. Men moet o.a. duidelijk aantonen welke inspanningen al geleverd zijn en waarom de hulp op een lager zorgniveau niet tot de gewenste resultaten heeft geleid.
De discussienota benadrukt expliciet dat de overgang van zorgniveau II naar III aan hoge eisen moet voldoen. Alle stappen moeten weloverwogen gebeuren. CLB dient systematisch de gegevens bij te houden. Er kan eventueel zelfs een audit gebeuren. Het risico dat men bij deze overgang ontspoort, is immers reëel. Wanneer een leerling de overgang van zorgniveau II naar III maakt, kunnen er immers extra middelen in het gewoon onderwijs worden vrijgemaakt.

Riet Nackom



 
Onze website maakt gebruik van cookies.