header

« Terug naar het overzicht

donderdag 24 januari 2008

Extra premie Brussel is geen goede oplossing

Op 23 januari maakte minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke enkele voorstellen bekend omtrent het Nederlandstalig onderwijs in Brussel. Deze voorstellen doet hij in een conceptnota die hij opstelde na een rondetafelconferentie.
COC kan zich vinden in heel wat initiatieven om de specifieke problemen van het Brussels onderwijs op te lossen. Bij enkele van de voorstellen heeft COC echter ernstige vragen.

De minister wenst aan de leraars die reeds enkele jaren in Brussel werken, een premie te geven. De redenen die de minister hiervoor aanhaalt (tijd voor verplaatsing, kinderopvang, hogere woonkosten, …), snijden echter geen van alle hout. Op deze basis zou trouwens iedereen die in Brussel werkt, ook buiten het onderwijs, een hogere bezoldiging moeten krijgen. En gaan deze redenen ook niet op voor andere steden en gemeenten?
De minister is ook fout wanneer hij stelt dat deze premie ook in aanmerking komt voor het latere pensioen. Dat is alleen maar zo als deze premie de laatste vijf jaren van de loopbaan wordt uitgekeerd.   

COC heeft zich trouwens altijd gekant tegen een differentiële verloning omdat zulke verloning geen motiverende factor is en het teamwerk, wat onderwijs nog steeds is, sterk ondermijnt.

COC is dan ook geen voorstander van het idee van de minister. Zeker niet omdat wij deze leerkrachten geen verhoging van hun koopkracht zouden gunnen (integendeel), maar wel omdat wij oordelen dat:
-     dergelijke extra premie de problemen rond de taakbelasting en de werkdruk van deze leerkrachten niet oplost;
-     dit een vorm van differentiële verloning is die je onmogelijk aan slechts één groep personeelsleden (en dus niet aan andere) kan toekennen.

Indien de minister graag wil dat leerkrachten in het Brusselse onderwijs gaan werken en er blijven werken, dan zijn er veel geschikter manieren om dit in de hand te werken: kleinere klassen, voldoende ondersteunend personeel, een goede infrastructuur, ondersteunende projecten, extra taalinitiatie, het stimuleren van de ouderbetrokkenheid, een anti-spijbelplan enz. Enkele daarvan staan ook al in de betrokken conceptnota.

COC stelt daarbij vast dat de minister wel het idee genegen is om 'onderwijsassistenten' en 'taalassistenten' in te zetten om de leerkracht in de klas bij te staan, maar dat hij anderzijds vindt dat het onderwijs nu al voldoende middelen heeft en krijgt om dit waar te maken. COC is de tegenovergestelde mening toegedaan. De waarheid is dat er al sinds 1991 bespaard wordt op de personeelsmiddelen en dat minister Vandenbroucke deze besparingen nog heeft opgedreven. COC zou het waarderen, mocht de minister aan de scholen eindelijk geven waarop zij recht hebben. Met de ene hand geven wat men met de andere hand inmiddels genomen heeft, geeft geen blijk van waardering.

Ten gronde is COC de mening toegedaan dat minister Vandenbroucke uit het oog verliest dat er nog tal van scholen buiten Brussel zijn die kampen met dezelfde of soms zelfs met nog grotere problemen dan Brusselse scholen. Ook niet iedere Brusselse school kampt trouwens met dezelfde problematiek. COC pleit dan ook voor een gedifferentieerde aanpak inzake omkadering in functie van de noden van de school in plaats van een gedifferentieerde aanpak inzake ligging van de school of verloning.

Jos Van Der Hoeven
Secretaris-generaal COC


 
Onze website maakt gebruik van cookies.