header

« Terug naar het overzicht van Brandpunt mei 2015

Dit schooljaar mei 2015

Kiezen tussen de pest en de cholera

Dat er in het onderwijs - uitgenomen het basisonderwijs, de basiseducatie en het hoger onderwijs - nog bijkomende besparingen op til waren, is nooit onder stoelen of banken gestoken. De Vlaamse Regering had die in haar Septemberverklaring al aangekondigd. De vraag was alleen nog welke maatregelen er zouden worden genomen.

Die besparingen moesten in 2015 nog een kleine 30 miljoen euro opbrengen. Na de vergadering van de Vlaamse Regering op 24 april maakte minister Crevits bekend op welke manier ze die besparingen wil realiseren.

Een kleine historiek

In september 2014 werd de piste gelanceerd om de opgelegde besparingen te realiseren via het verhogen van de opdrachtennoemers van 20 en/of 21 naar 22. COC heeft zich altijd tegen deze maatregel verzet omwille van verschillende redenen. Eén van de redenen was dat zo’n gelijkschakeling stevig zou ingrijpen in de tewerkstelling van nieuwe personeelsleden en dus in conflict zou komen met de wil om de werkzekerheid van jonge leraars te verhogen. Een andere reden was dat het onmogelijk zou zijn om een loopbaandebat op te starten als men vooraf op deze manier zou ingrijpen in het prestatiestelsel van de leraars. Minister Crevits heeft naar onze opmerkingen geluisterd wat - en dat moet ook duidelijk zijn - alleen betekent dat de opdrachtennoemers in het schooljaar 2015-2016 ongewijzigd blijven.

Omdat de piste van de verhoging van de opdrachtennoemers niet werd weerhouden, is er gedurende lange tijd gezocht naar alternatieven. Bij deze zoektocht werden de sociale partners - vakbonden én inrichtende machten - betrokken. De helft van het te besparen bedrag werd gevonden door in te grijpen in de procedure voor de vaste benoeming. Deze ingreep betekent een serieuze besparing voor de Vlaamse Gemeenschap omdat er voor vastbenoemde personeelsleden minder RSZ-bijdragen moet worden betaald aan de federale overheid. De andere helft werd gevonden in maatregelen die op de een of andere manier pijn doen en die de werkdruk van het onderwijspersoneel ongetwijfeld zullen doen stijgen.

Begrotingscontrole

Net vóór de paasvakantie hield de Vlaamse Regering haar eerste begrotingscontrole. Het goede nieuws was dat het onderwijs gespaard bleef van nieuwe besparingen. Het slechte nieuws was dat in de nasleep van deze begrotingscontrole de Vlaamse Regering het ‘voorontwerp van decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2015’ goedkeurde en dat hierin de besparingsmaatregelen waren opgenomen die in uitvoering van de initiële begroting tussen de regeringspartijen waren afgesproken. Dat voorontwerp werd met de sociale partners onderhandeld op 21 april en na deze onderhandelingen keurde de Vlaamse Regering op 24 april de uiteindelijke besparingsmaatregelen (opnieuw) goed. Op de vraag of deze nu definitief zijn, is het antwoord juridisch gezien negatief. Ze zijn dat pas als ze definitief goedgekeurd zijn door - al naargelang de maatregel - hetzij het Vlaams Parlement hetzij de Vlaamse Regering. Voor wat het Vlaams Parlement betreft, zal dat wellicht gebeuren in juni en voor de Vlaamse Regering nadat de Raad van State zijn advies gegeven heeft. Ook moet nog blijken in welke mate minister Crevits bereid is om toch nog alternatieve voorstellen te overwegen.

Vervroeging van de vaste benoemingen

Deze maatregel is van toepassing op alle onderwijsniveaus (inclusief de internaten).

Op het ogenblik van de beslissing van de Vlaamse Regering was de benoemingsprocedure met het oog op een nieuwe benoemingsronde op 1 januari 2016 net begonnen. Heel deze procedure blijft voor het schooljaar 2014-2015 ongewijzigd behalve dan dat er niet zal benoemd worden op 1 januari 2016, maar op 1 juli 2015 of op 1 oktober 2015. Met dien verstande dat als er een benoemingsmogelijkheid is op 1 juli dat deze benoeming niet kan uitgesteld worden tot 1 oktober.

De benoemingsmogelijkheid op 1 oktober 2015 houdt niet in dat er een nieuwe benoemingsprocedure moet worden opgestart. Er is één vacantverklaring (ten laatste op 15 mei op basis van de vacante betrekkingen op 15 april) en één mogelijkheid om zich hiervoor kandidaat te stellen. De uiterste datum van kandidaatstelling bepaalt - zoals dat nu het geval is - de inrichtende macht, maar zal uiteraard een datum moeten zijn vóór 1 juli. Personeelsleden die willen benoemd worden en aan de benoemingsvoorwaarden voldoen op de vooravond van de benoeming (30 juni of 30 september) of hieraan denken te zullen voldoen, moeten op de benoemingstrein springen vóór de zomervakantie. Als ze niet kandideren, dan kunnen ze pas benoemd worden in 2016 op basis van de vacantverklaringen die in 2016 gebeuren.

Aan de benoemingsvoorwaarden zelf wijzigt niets, behalve dat de benoemingsvoorwaarde dat men 720 dagen dienstanciënniteit moet hebben (waarvan 360 in het ambt waarvoor men kandideert) op 30 juni voorafgaand aan de benoeming voortaan voor iedereen geldt. Voor sommige ambten was dat vroeger 31 augustus.

Voorbeeld

Op 15 april is er een betrekking vacant van 22 uur wiskunde in de eerste graad. Deze betrekking moet vacant verklaard worden. Twee personeelsleden kandideren voor een vaste benoeming in deze uren. Het eerste personeelslid dat al deeltijds vastbenoemd is voor 16 uur, kandideert dus voor een uitbreiding van zijn benoeming. Het tweede personeelslid heeft nog geen aanstelling van doorlopende duur, maar hoopt deze aanstelling te kunnen krijgen op 1 september. Het eerste personeelslid moet benoemd worden op 1 juli (voor 6 uur), het tweede pas op 1 oktober als het op 30 september een aanstelling heeft van doorlopende duur én als de overblijvende uren nog vacant zijn. Als dat tweede personeelslid zich geen kandidaat zou gesteld hebben, dan kan het ook niet vastbenoemd worden.

Voor het schooljaar 2015-2016 en de daarop volgende schooljaren blijven die twee benoemingsdata van kracht, maar de uiterste datum van vacantverklaring (nu 15 mei), wordt dan 1 april en dit op basis van de vacante betrekkingen die er zijn op 1 maart (nu 15 april).

Belangrijk aandachtspunt

Personeelsleden die kandideren voor een vaste benoeming en die op 30 juni aan alle voorwaarden voldoen, moeten op 1 juli vastbenoemd worden. Het is van groot belang dat zij daar zo spoedig mogelijk uitsluitsel over krijgen. Bij de verdeling van de opdrachten op 1 september hebben zij immers voorrang van aanstelling op personeelsleden die nog niet vastbenoemd zijn.

Benoemingsverplichting in ‘overgedragen’ uren

Deze verplichting heeft alleen betrekking op de scholen van het gewoon- en buitengewoon secundair onderwijs en is in tegenstelling tot de vorige benoemingsmaatregel éénmalig. Hij houdt in dat

- scholen die uren overgedragen hebben van het schooljaar 2013-2014 naar het schooljaar 2014-2015 en die nu dus inrichten, ook de betrekkingen moeten vacant verklaren die ingericht werden met die uren (de zogenaamde ‘bufferuren’) en in deze uren een vaste benoeming moeten uitspreken als er hiervoor kandidaten zijn die aan de benoemingsvoorwaarden voldoen

- scholen die dit schooljaar uren hebben gekregen van een andere school van hetzelfde schoolbestuur (herverdeling door het schoolbestuur) of van een ander schoolbestuur van hetzelfde net (overgedragen uren) ook de betrekkingen moeten vacant verklaren die ingericht werden met die uren en in deze uren een vaste benoeming moeten uitspreken als er hiervoor kandidaten zijn die aan de benoemingsvoorwaarden voldoen.

Afgeleide maatregelen

De decreten rechtspositie voorzien nu dat personeelsleden die 55 jaar of ouder zijn en die benoemd willen worden in een vacante betrekking in een wervingsambt (die niet noodzakelijk hoeft vacant verklaard te zijn) op hun vraag benoemd kunnen worden op 1 januari op voorwaarde dat zij aan alle benoemingsvoorwaarden voldoen en dat zij op 1 februari voorafgaand aan de benoeming in dienst zijn in de instelling waar zij benoemd willen worden. Deze mogelijkheid blijft, maar de mogelijke benoemingsdata worden in de toekomst ook 1 juli of 1 oktober. De datum van 1 februari wordt vervangen door 1 oktober.

Als de samenstelling van de scholengemeenschap wijzigt na de datum waarop de vacante betrekkingen met het oog op de vaste benoeming werden meegedeeld, dan voorziet de huidige regelgeving dat heel de benoemingsprocedure moet worden overgedaan in de maanden september en oktober. Deze verplichting valt weg.

Afwezigheden vóór een korte vakantieperiode

Volgende maatregel is vanaf 1 september 2015 van toepassing op

- de scholen voor gewoon en buitengewoon secundair onderwijs

- de instellingen voor deeltijds kunstonderwijs

- de centra voor volwassenenonderwijs

- de centra voor leerlingenbegeleiding.

Hij is echter niet van toepassing op

- de directeur

- de opvoeders, de administratief medewerkers en het administratief personeel

- leraars die belast zijn met bijzondere pedagogische taken of met uren interne pedagogische begeleiding in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs

- leraars belast met coördinatie-uren in het volwassenenonderwijs

- leraars belast met uren pedagogische coördinatie in het deeltijds kunstonderwijs.

Maatregel: een personeelslid dat tijdelijk een personeelslid vervangt van wie de afwezigheid is gestart in een periode van 14 kalenderdagen voor of tijdens de herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie ontvangt geen bezoldiging ten laste van de overheid tot en met het einde van die herfst-, kerst-, krokus- en paasvakantie.

Voor vervangingen buiten deze periode blijft de huidige regeling gelden. Dat betekent dat een bezoldiging pas mogelijk is als de afwezigheid minstens 10 werkdagen duurt.

Opgelet: deze regel zegt niet dat vervangingen onmogelijk zijn. School- en centrumbesturen kunnen personeelsleden aanstellen, maar moeten dan zelf instaan voor hun bezoldiging.

Voorbeeld

Een leraar is belast met 16 uur les en 6 BPT-uren. Hij krijgt een ongeval op woensdag 16 maart 2016 en krijgt vanaf die dag een ziekteverlof voorgeschreven tot en met woensdag 13 april (29 kalenderdagen). Als hij in zijn lesopdracht vervangen wordt, dan zal zijn vervanger geen bezoldiging van de overheid ontvangen. De aanvangsdatum van zijn ziekteverlof is immers gelegen in de periode van 14 dagen voorafgaand aan de paasvakantie (die eindigt op zondag 10 april) en zijn afwezigheid na de paasvakantie bedraagt geen tien werkdagen.

Afwezigheden van personeelsleden die niet gevat zijn door vorige maatregel

Volgende maatregel is vanaf 1 september 2015 van toepassing op

- het ondersteunend personeel van de scholen voor gewoon en buitengewoon secundair onderwijs

- de administratief medewerkers van de centra voor volwassenenonderwijs

- het administratief personeel van de centra voor leerlingenbegeleiding

- leraars die belast zijn met bijzondere pedagogische taken of met uren interne pedagogische begeleiding in het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs

- leraars belast met coördinatie-uren in het volwassenenonderwijs

- leraars belast met uren pedagogische coördinatie in het deeltijds kunstonderwijs.

Hij is dus niet van toepassing op de directeur en ook niet op het administratief personeel van de instellingen voor deeltijds kunstonderwijs.

Maatregel: personeelsleden die bovenvermelde personeelsleden vervangen omdat ze afwezig zijn, ontvangen slechts een salaris ten laste van de overheid vanaf de 31ste dag van de afwezigheid van het te vervangen personeelslid.

Opgelet: ook deze regel zegt niet dat vervangingen onmogelijk zijn. School- en centrumbesturen kunnen personeelsleden aanstellen, maar moeten dan zelf in staan voor hun bezoldiging.

Voorbeelden

Een leraar is belast met 16 uur les en 6 BPT-uren. Hij krijgt een ongeval op woensdag 16 maart 2016 en krijgt vanaf die dag een ziekteverlof voorgeschreven tot en met woensdag 13 april (29 kalenderdagen). Als hij in zijn BPT-uren vervangen wordt, dan zal zijn vervanger geen bezoldiging van de overheid ontvangen gedurende zijn afwezigheid.

Een opvoeder neemt met ingang van 1 september ouderschapsverlof onder de vorm van loopbaanonderbreking op voor drie maanden. Als er een vervanger zou worden aangesteld, dan ontvangt die pas een bezoldiging van de overheid met ingang van 1 oktober.

Puntenwaarde van vervangers van het ondersteunend personeel

Volgende maatregel is vanaf 1 september 2015 van toepassing op het gewoon en buitengewoon secundair onderwijs en op het volwassenenonderwijs.

Maatregel: een opvoeder of administratief medewerker die wordt aangesteld als vervanger van een afwezig personeelslid moet dezelfde puntenwaarde hebben als degene die hij vervangt.

Voorbeeld

Een opvoeder met een diploma van het niveau bachelor (82 punten) neemt een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden van 1 januari tot en met 31 mei. Ten gevolge van vorige maatregel kan zijn vervanger slechts een bezoldiging krijgen van de overheid vanaf 31 januari, maar bovendien moet de vervanger ook een diploma van het niveau bachelor hebben.

Loopbaanonderbreking wegens medische bijstand

Deze maatregel is met ingang van 1 september 2015 van toepassing op alle personeelsleden van alle onderwijsniveaus, uitgenomen het hoger onderwijs.

Maatregel: als een periode van loopbaanonderbreking wegens medische bijstand (LBO.MB) eindigt binnen een periode van 7 kalenderdagen voor een herfst- kerst-, krokus- of paasvakantie of eindigt tijdens die vakantie, en het personeelslid een nieuwe periode van LBO.MB tijdens die vakantie of in een periode van 7 kalenderdagen volgend op die vakantie neemt, dan wordt de tussenliggende vakantieperiode (of een deel daarvan) beschouwd als een periode van een terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden (TBSPA).

Deze dagen TBSPA komen wel in aanmerking voor de berekening van de geldelijke anciënniteit en worden niet meegerekend om de duur te bepalen van de periode van TBSPA waarop het personeelslid nog recht heeft.

Voorbeeld

Een personeelslid neemt een LBO.MB met ingang van 4 januari 2016 tot en met vrijdag 5 februari (de vrijdag voorafgaand aan de krokusvakantie) en neemt opnieuw een LBO.MB vanaf maandag 15 februari tot en met vrijdag 25 maart. Gedurende de krokusvakantie zal het personeelslid geen salaris ontvangen omdat die periode geacht wordt een periode van TBSPA te zijn.

Opschorting reaffectatiecommissies

Volgende maatregel is geen besparingsmaatregel in de strikte zin van het woord. Hij is ingegeven door de overweging dat de werking van de Vlaamse reaffectatiecommissie bitter weinig opbrengt in verhouding tot de inzet van mensen en middelen.

Maatregel: met ingang van 1 september 2015 wordt de werking van de reaffectatiecommissies van de scholengroepen en de werking van de Vlaamse reaffectatiecommissie opgeschort voor de scholen van het gewoon en buitengewoon basis en secundair onderwijs die tot een scholengemeenschap behoren.

Gevolg: de terbeschikkinggestelde personeelsleden die behoren tot een scholengemeenschap en die geen reaffectatie of wedertewerkstelling hebben gekregen van de reaffectatiecommissie van de scholengemeenschap, zal die reaffectatiecommissie toewijzen aan bij voorkeur één of aan meerdere instellingen van de scholengemeenschap. Zulke toewijzingen gebeuren altijd in niet-organieke betrekkingen in het ambt waarin de desbetreffende personeelsleden ter beschikking gesteld zijn. Een personeelslid dat een toewijzing krijgt die als ‘hetzelfde ambt’ kan aangezien worden, is verplicht deze betrekking te aanvaarden. Wanneer een toewijzing in ‘hetzelfde ambt’ niet mogelijk is, kan de reaffectatiecommissie aan het betrokken terbeschikkinggestelde personeelslid een betrekking in dezelfde categorie toewijzen die niet als ‘hetzelfde ambt’ kan beschouwd worden. Het personeelslid kan deze toewijzing weigeren. In dat geval stelt de reaffectatiecommissie het personeelslid tewerk als administratieve ondersteuning van de scholengemeenschap met de daarbij horende prestatie- en vakantieregeling. De toewijzingen zoals hier bedoeld worden beschouwd als een reaffectatie in een niet vacante betrekking, maar ze schorten de reaffectatieverplichtingen van de inrichtende machten in de scholengemeenschap niet op. Tijdens periodes van reaffectatie in een organieke betrekking wordt de toewijzing in de niet-organieke betrekking opgeschort.

Een ter beschikking gesteld personeelslid dat een reaffectatie of een wedertewerkstelling in een organieke betrekking verkiest boven een toewijzing in een niet-organieke betrekking kan daartoe een vraag richten aan de reaffectatiecommissie van de eigen scholengroep in het gemeenschapsonderwijs en/of aan de Vlaamse reaffectatiecommissie. De reaffectatiecommissie van de scholengroep in het gemeenschapsonderwijs en/of de Vlaamse reaffectatiecommissie is verplicht op de vraag van het personeelslid in te gaan.

Tot slot

Ongetwijfeld rijzen er bij deze maatregelen tal van inhoudelijke vragen. Daarom zullen ze worden toegelicht door omzendbrieven en richt het ministerie van Onderwijs een Ronde van Vlaanderen voor directies in.

Vanuit syndicaal oogpunt bekeken, is COC tevreden dat de helft van deze besparingen kon gerealiseerd worden via de vervroeging van de benoemingen. Tijdelijke leraren krijgen daardoor vroeger werk- en inkomenszekerheid. Met de andere helft van de besparingen is COC het niet eens. COC blijft ervan overtuigd dat besparingen in het onderwijs op termijn nefast zijn voor de kwaliteit ervan. Deze specifieke besparingsmaatregelen grijpen in op de organisatie van het onderwijs, zij brengen de kernopdracht ervan in gevaar en verhogen de werkdruk van de personeelsleden. Andere besparingen hadden dat ook gedaan, maar op een andere manier. Wanneer een keuze wordt gemaakt tussen de pest en de cholera, dan maakt men altijd de verkeerde keuze.

Jos Van Der Hoeven



 
Onze website maakt gebruik van cookies.