header

« Terug naar het overzicht

zondag 28 juni 2009

Vakantiegeld 2009: foutief berekend?

COC ontving verschillende vragen in verband met de berekening van het vakantiegeld. Personeelsleden die dit narekenen op de manier zoals in Brandpunt nr. 9 werd verduidelijkt, vinden blijkbaar de bedragen niet terug die op het betalingsuittreksel van het Ministerie van Onderwijs en Vorming voorkomen. En nochtans is de berekeningswijze die in Brandpunt werd verduidelijkt juist. Wat is er gebeurd?

Het vast bedrag van het vakantiegeld is in 2009 gelijk aan € 1.063,0009. Het veranderlijk bedrag bedraagt, zoals de vorige jaren, 1,1 % van de geïndexeerde bruto jaarwedde die tot grondslag heeft gediend voor de vaststelling van de maand-wedde van maart 2009. De som van beide bedragen wordt vergeleken met 65 % van het brutomaandloon van de maand maart.
Is deze som groter dan 65 % van het brutomaandloon van de maand maart, dan wordt deze som vermeerderd met € 287,59 en deze nieuwe som is dan het bruto vakantiegeld van 2009.
Is deze som kleiner dan 65 % van het brutomaandloon van de maand maart, dan wordt in 2009 het verschil tussen deze som en dat percentage bij deze som gevoegd. Daarna wordt ook deze nieuwe som (in feite 65 % van het brutomaandloon van de maand maart) vermeerderd met € 287,59 om zo het bruto vakantiegeld voor 2009 te vormen.
In geen van beide gevallen mag het bruto vakantiegeld echter groter zijn dan 92 % van het brutomaandloon van maart. Van dat bruto bedrag wordt dan 13,07 % afgehouden en zo verkrijgt men het bruto belastbaar bedrag. En daar wringt het schoentje. Het brutobedrag vemeld op het betalingsuittreksel van het Ministerie van Onderwijs en Vorming is niet het brutobedrag, maar wel het bruto belastbaar bedrag (het brutobedrag verminderd met de afhouding van 13,07 %).

Voorbeeld

Een licentiaat oefende gedurende het volledige jaar 2008 een FT-opdracht uit en had in maart een bruto-wedde van € 4.744,06.

Bruto-vakantiegeld (volgens de oude regeling) = € 1.063,0009 + 1,1 % van € 4.744,06 x 12 = € 1.689,21.

Volgens de nieuwe regeling moet dat bedrag vergeleken worden met 65 % van de maandwedde van maart en eventueel tot dat bedrag worden opgetrokken. Vermits € 1689,21 kleiner is dan 65 % van de maandwedde van maart (€ 3.083,639), wordt het bedrag van € 1.689,21 opgetrokken tot € 3.083,639.

Het uiteindelijke bruto-vakantiegeld is dan gelijk aan € 3.083,639 + € 287,59 = € 3.371,229

Dit laatste bedrag vindt men echter niet terug op het betalingsuittreksel. Wat men wel terugvindt, is dat bedrag verminderd met de 13,07 % afhouding (in dit geval € 2.930,61). Op het betalingsuittreksel vindt men onder "bruto" dus het bedrag weer van € 2.930,61 wat in feite niet het bruto-vakantiegeld is, maar het bruto-belastbaar bedrag van het vakantiegeld (= het bruto-bedrag verminderd met de afhouding van 13,07 %). Waarom het Ministerie van Onderwijs en Vorming deze (ondoorzichtige) werkwijze gehanteerd heeft, is op dit ogenblik nog een raadsel.  

 

 

 

 

 


 


 
Onze website maakt gebruik van cookies.