header

« Terug naar het overzicht

donderdag 26 augustus 2004

Persconferentie n.a.v. Vlaams regeerakkoord en nieuwe minister van Onderwijs

1. Einde van het tijdperk Marleen Vanderpoorten /Bart Somers

Vooral te onthouden:

  • lange strijd voor CAO VI die, wat men er ook van zegt, de oorsprong was van meer middelen voor onderwijs
  • verhoging van de uitstapleeftijd, wat een sterk negatieve indruk naliet bij het onderwijspersoneel, ondanks de overgangsmaatregelen
  • tijdperk van onrust, communicatiedrift en experimenten.
  • te weinig respect voor het representatieve middenveld, in casu de onderwijsvakbonden

Maar: buiten de afzwakking van de TBS 55+-regeling zijn er geen negatieve ingrepen in de rechtspositieregeling geweest.

2. Nieuw tijdperk Frank Vandenbroucke/Yves Leterme, nieuw regeerakkoord

2.1 Regeerakkoord blijft vaag, weinig concrete invulling

Opvallend is de vaagheid van het regeerakkoord. Niet alleen in verband met het globaal financieel raam van de Vlaamse regering, maar ook specifiek over de middelen waarmee men de vooropgestelde maatregelen inzake onderwijs wil realiseren.
Yves Leterme zette het regeerakkoord onder de noemer ‘zeggen wat we doen en doen wat we zeggen’. Voor wat het onderwijspersoneel betreft, zegt het regeerakkoord alvast niet wat men gaat doen (zie verder 2.3). Alle mogelijkheden lijken nog open te liggen.
Enerzijds blijft de weg naar de dialoog daardoor open. Anderzijds is het op die manier moeilijk om een oordeel te vormen. Wellicht is die vaagheid bewust en gewild, zo kan men later niet ‘gepakt’ worden. Het zal dus afwachten worden hoe de Vlaamse regering en minister Vandenbroucke in het bijzonder invulling zullen geven aan dit regeerakkoord. Toch is al duidelijk dat het onderwijsbeleid van de vorige jaren op vele punten zal worden verdergezet.

2.2 Prioriteit voor werk

Op p. 21 van het regeerakkoord lezen we “Kennis is en blijft onze bijzonderste grondstof”. Toch wordt in dit kader onderwijs niet als topprioriteit naar voren geschoven. Immers, een topprioriteit is wel “Opleiding en vorming: levenslang en levensbreed leren”, maar dit in het hoofdstuk Werkgelegenheid. Het is duidelijk dat het regeerakkoord in het teken staat van werk. Zo staat het hoofdstukje over “Levenslang en levensbreed leren” in het hoofdstuk “Meer ondernemen, meer werkgelegenheid”, terwijl het volwassenenonderwijs een veel bredere maatschappelijke rol heeft dan het louter inspelen op de arbeidsmarkt. Het volwassenenonderwijs vervult met zijn breed en laagdrempelig aanbod een belangrijke emancipatorische rol en draagt zo bij tot meer sociale cohesie. Zo biedt het volwassenenonderwijs de cursist onder meer de kans om nieuwe moderne vaardigheden zoals ICT te verwerven, zijn talenkennis te vergroten of vooralsnog een erkend studiebewijs te behalen als men daar vroeger om een of andere reden niet in geslaagd is.
Dat onderwijs geen topprioriteit is voor de nieuwe Vlaamse regering, is ook duidelijk door de aanstelling van minister Vandenbroucke niet alleen als minister van Onderwijs, maar ook als minister van Werk. Op zich kunnen hiervoor wel argumenten gevonden worden, maar men moet ten allen tijde wel onthouden dat onderwijs veel meer is dan alleen een voorbereiding op het latere beroepsleven. Ondanks het grote belang van dit laatste, blijft een brede vorming voor elke leerling zeer belangrijk en noodzakelijk.

2.3 Wat staat er NIET in het regeerakkoord? Zegt men wat men gaat doen?

  • Geen verwijzing naar de zevende Vlaamse onderwijs-cao. Wij zullen de minister eerstdaags met ons eisencahier rond CAO VII confronteren (zie bijlage).
  • Geen verwijzing naar het welbevinden en de taakbelasting van leerkrachten, tenzij naar het terugdringen van de administratieve planlast. Terwijl we over de leerlingen wél lezen dat er een leerlingenstatuut komt waarin de rechten en de plichten van de leerlingen worden aangegeven en dat er speciale aandacht moet gaan naar de taakbelasting en het welbevinden van de leerlingen.
  • Geen concrete maatregelen die het respect en de waardering voor het onderwijspersoneel tot uiting brengen.
  • Geen creatie van een personeelseffectenrapport bij de invoering van nieuwigheden of experimenten. Personeelsleden moeten vooraf weten welke impact deze nieuwigheden of experimenten hebben op hun werkbelasting, op de planlast, op de opdrachten, op de arbeidsvoorwaarden…
  • Geen verwijzing naar de stopzetting van de besparingen op de lestijdenpakketten of naar de middelen die Vlaanderen aan onderwijs moet besteden (volgens COC moet dit 7 % van het BRP bedragen). Men kan het onderwijs niet met de vinger blijven wijzen, als men aan onderwijs niet geeft waarop het onderwijs recht heeft.
  • Geen verwijzing naar middelen voor vakbondsafgevaardigden om school- of centrumoverstijgende bevoegdheden die ze van de overheid hebben gekregen, met kennis van zaken uit te oefenen.
  • Geen cijfers. Het is gissen naar hoeveel middelen men precies wil of zal besteden aan een aantal doelstellingen (bv. talentontplooiing, eenmalige injectie in hogescholen, infrastructuur, gelijke financiering, extra ondersteuning basisonderwijs, kosteloos maken basisonderwijs…).
  • Geen verwijzing naar het terugdringen van het Europees dirigisme dat ertoe leidt dat de ministers beslissingen op Europees niveau nemen en dit zonder enige vorm van inspraak op Vlaams niveau.
  • Over enkele onderwijssectoren (deeltijds kunstonderwijs, CLB, basisonderwijs, volwassenenonderwijs, buitengewoon onderwijs) wordt er slechts zeer summier of helemaal niet gesproken.

2.4 Wat beoordeelt COC als positief, of minstens hoopgevend?

  • Maatregelen om het basisonderwijs kosteloos te maken. Maar dit volstaat niet. Ook het secundair onderwijs is immers leerplichtonderwijs. Met vooral in het TSO/BSO een aantal afdelingen die flink wat investering van de ouders vragen, terwijl precies het TSO/BSO het meest frequent wordt gevolgd door kinderen van minder kapitaalkrachtige ouders. Bovendien veronderstelt sociale integratie bv. ook een lage instapdrempel naar het deeltijds kunstonderwijs, het volwassenenonderwijs en het hoger onderwijs.
  • Talentontwikkeling staat centraal in het luik onderwijs van het regeerakkoord. Ui-teraard wil iedereen, ook COC, het beste onderwijs voor de kinderen, en dan liefst alles nog gratis en in de beste infrastructuur. De vraag is evenwel hoe en met welke middelen men dit allemaal zal realiseren. Hierover is vaagheid troef, behalve een verwijzing naar het rapport Accent op Talent. In deze context mag men ook niet vergeten dat men in 1989 het vso én het traditioneel onderwijs heeft afgeschaft en vervangen door het "eenheidstype", en dat daarbij een belangrijke rationalisatie van het aantal studierichtingen in het TSO en het BSO werd doorgevoerd en dit wegens besparingen. De keuzemogelijkheden van de leerlingen werden zo drastisch beperkt. Op deze manier werd de "'talentontwikkeling" ook door de overheid zélf teruggeschroefd. Door de vele keuzemogelijkheden was het vso het ideale onderwijstype om alle talenten tot ontwikkeling te laten komen. Maar... wegens "te duur" werd het afgeschaft.
  • Het regeerakkoord zegt dat de administratieve planlast voor leerkrachten moet verminderen en dat de eindtermen zullen worden geëvalueerd en eventueel teruggeschroefd. Dit is positief, maar ondertussen heeft men het lerarenkorps wel al sedert bijna 10 jaar met deze eindtermen geconfronteerd en hierdoor de taakbelasting en de planlast zeer gevoelig opgedreven. De administratieve planlast is een van de allergrootste pijnpunten van het onderwijspersoneel. Voormalig minister Vanderpoorten weet ondertussen dat deze materie zeer complex en zelfs Kafkaiaans is. Alle onderwijsactoren (overheid, inrichtende machten, koepels, begeleidingsdiensten, inspectie, directeurs...) stellen immers dat zij hiervan niet de oorzaak zijn. Maar toch is de papierberg er en die zorgt voor veel onnodige werkdruk en veel ongenoegen.
  • De hogescholen krijgen een eenmalige financiële injectie. Dat is uiteraard positief en ook hoognodig, maar een concrete invulling ontbreekt helaas.
  • Men streeft naar een gelijke financiering van iedere leerling, behoudens objectieve verschillen. Ook hier ontbreken concrete middelen of een planning.
  • Er wordt een inhaalbeweging voor de schoolinfrastructuur vooropgezet, echter zonder verwijzing naar concrete middelen.
  • Eerder positief is ook dat het participatiedecreet na drie jaar geëvalueerd wordt, hoewel COC veel liever had gezien dat de door COC gevraagde bijsturingen nu reeds waren ingevoegd.

3. Clichématige negatieve beoordelingen van het Vlaams onderwijs moeten sterk gerelativeerd worden

3.1 Het regeerakkoord vermeldt enkele minpunten die het Vlaams onderwijs zouden kenmerken. Het woord “ondermaats” valt.

COC stelt vast dat dit regeerakkoord klakkeloos overneemt wat ook in de legislatuur Vanderpoorten vaak werd naar voren gebracht als zogezegde minpunten. COC kan echter makkelijk met cijfers van de overheid zélf aantonen dat een en ander minstens sterk gerelativeerd moet worden.
Dit doet vragen rijzen. Is een beleidsdocument dat gebaseerd is op betwistbare uitgangspunten, een goed document? COC ervaart de manier waarop deze minpunten worden naar voren gebracht in het regeerakkoord als een verwijt aan de man of de vrouw in de klas. De realiteit is dat het Vlaams onderwijs, dankzij het Vlaams onderwijspersoneel, over heel de lijn prima presteert. Dat bevestigen talloze nationale en internationale onderzoeken. In een kranteninterview wordt minister Vandenbroucke als volgt geciteerd: “Misschien waren we het regeerakkoord beter begonnen met een eerbetoon aan de leerkrachten en scholen in Vlaanderen”. Helaas heeft men dit niet gedaan…
Natuurlijk kan het Vlaams onderwijs op bepaalde punten nog beter, maar dan zal de Vlaamse overheid meer moeten investeren. Deze investeringen kunnen niet op de kap van het personeel gebeuren. De Vlaamse overheid moet echter ook de moed hebben om achterom te kijken en na te gaan waar zij in het verleden gefaald heeft. Het is al te gemakkelijk om de fout steeds weer bij het personeel te leggen.

3.2 Over minpunt 1 (volgens het regeerakkoord): het Vlaams onderwijs zou de sociale ongelijkheid reproduceren.

Een studie van het HIVA becijferde de sociale ongelijkheid in het Vlaams onderwijs. Deze studie legde verbanden tussen enerzijds de sociale afkomst van leerlingen en anderzijds de onderwijsachterstand en studie-oriëntatie. Vooral deze studie deed bij politici, media en andere betrokkenen de misleidende gedachte ontstaan dat het Vlaams onderwijs de sociale ongelijkheid zou doen vergroten.
Professor en pedagoog Ides Nicaise, verantwoordelijk voor voormelde studie, verklaarde in december jl. in Brandpunt, het blad van COC, dat deze ongelijkheid niet door het onderwijs wordt vergroot, maar ondanks het onderwijs. Hiermee bedoelde hij dat het onderwijs er niet in slaagt de kloof tussen de sociale groepen écht te dichten. Bovendien stelde hij dat het niet alleen de school is die de sociale ongelijkheid reproduceert, maar ook de maatschappelijke omgeving.
Uit het Pisa-onderzoek, een OESO-studie die leerresultaten vergeleek, bleek dat de impact van de socio-economische status op de leerprestaties in Vlaanderen inderdaad groot is. Maar er staat ook in dat op Finland na onze socio-economisch ‘zwakste’ leerlingen nog altijd beter scoren dan alle andere landen.
Het is duidelijk dat, als het onderwijs bepaalde sociale ongelijkheden wil kunnen wegwerken, er maatregelen (o.a. via meer individuele leerlingenbegeleiding…) nodig zijn die niet haalbaar zijn zonder (veel) bijkomende middelen.
Dit alles neemt echter niet weg dat het onderwijs de plicht heeft om zijn deel ertoe bij te dragen om met de beschikbare middelen trachten te voorkomen dat ongelijkheden qua afkomst en milieu zich vertalen in onderwijsachterstand en verkeerde studie-oriëntatie.

3.3 Over minpunt 2 (volgens het regeerakkoord): Vlaanderen zou ‘ondermaats’ scoren op het aantal leerlingen dat het leerplichtonderwijs verlaat zonder einddiploma

Elke jongere die het secundair onderwijs verlaat zonder diploma, is er één te veel. Maar dat Vlaanderen op dit vlak slecht zou scoren, moet sterk worden gerelativeerd.
In Vrind 2003 (de Vlaamse regionale indicatoren) lezen we dat in de Europese Unie (15 lidstaten) 75,5 % van de 22-jarigen minstens het hoger secundair onderwijs voltooit. Het Vlaamse gewest moet met 86,9 % enkel koploper Finland (90 %) laten voorgaan. De Europese benchmark (norm, doelstelling) is 85 %.
In het blad Klasse (blad onder supervisie van het departement Onderwijs) van mei 2004 lezen we dat tegen 2010 de Europese Unie niet meer dan 10 procent vroegtijdige schoolverlaters zou mogen tellen. Concreet gaat het hier om 18-24-jarigen die wel een getuigschrift van de eerste graad secundair onderwijs behalen, maar later afhaken. In het Vlaams Gewest verlaat maar 10,7 procent van de betrokken jongeren te vroeg de school (2002). Dat is 0,7 % te veel, maar toch het vijfde beste resultaat van de EU. Het Belgische percentage ligt op 12,4 procent, het EU-gemiddelde op 18,8 procent.

3.4 Over minpunt 3 (volgens het regeerakkoord): Vlaanderen zou ‘ondermaats’ scoren op het vlak van het welbevinden van de leerling

In de Onderwijsspiegel 2002-2003 van de inspectie staat dat er bij een onderzoek 6.000 leerlingen uit het secundair onderwijs werden ondervraagd. De globale score voor welbevinden is gemiddeld 3,8 op een vijfpuntenschaal, wat de inspectie zélf “een behoorlijke graad” vindt. Een verdere analyse leert dat onze leerlingen vooral ontevreden zijn over de infrastructuur en voorzieningen (inrichting en comfort van leslokalen en speelplaatsen, netheid…), wat eerder een zaak van centen is. Een tweede bron van ontevredenheid is de studiedruk, wat dan weer samenhangt met het feit dat het Vlaams onderwijs veeleisend is, wat zich ook vertaalt in onze goede internationale resultaten. Op andere domeinen blijkt het welbevinden behoorlijk groot.

4. Modern personeelsmanagement, enveloppenfinanciering en lokale autonomie

4.1 Het regeerakkoord laat zich ofwel niet, ofwel in weinig concrete bewoordingen uit over enkele bestaande of geplande zaken die een negatieve impact (kunnen) hebben op het onderwijspersoneel in Vlaanderen en het Vlaams onderwijs in het algemeen. Toch is het duidelijk dat het regeerakkoord voor een groot deel put uit de ideeën van het rapport Accent op Talent en dat in deze legislatuur vooral het secundair onderwijs zal geviseerd worden. In het regeerakkoord vinden we immers de woorden competentiegerichte opleidingenstructuur, modulering van het opleidingsaanbod, ontwikkelen van geïndividualiseerde leerwegen, vakkenintegratie… terug.
COC is als onderwijsvakbond zeker niet tegen vernieuwing. COC steunt ook het idee om het TSO en BSO te herwaarderen en om elk talent van elk kind maximaal te ontwikkelen. Maar elke vernieuwing moet goed voorbereid en in overleg met het personeel worden ingevoerd, moet uitgebreid gecommuniceerd worden, moet een personeelseffectenrapport inhouden en moet met de nodige middelen ondersteund worden.

4.2 Modern personeelsmanagement / schoolopd acht / flexibiliteit

Het regeerakkoord zegt te willen streven naar een modern personeelsmanagement. Wat dit precies moet of zal inhouden, blijft vaag.
Ondertussen wordt het systeem van de functiebeschrijving (dat later gelinkt wordt aan evaluatie) vanaf 1 september 2004 toch ingevoerd in het secundair onderwijs en het volwassenenonderwijs, hoewel op het veld nu reeds blijkt dat de principes geconcipieerd in de onderscheiden decreten rechtspositie tot zware moeilijkheden leiden. Een herziening dringt zich dan ook op.
Mieke Van Hecke, de nieuwe directeur-generaal van het katholiek onderwijs, antwoordde in een krant op de vraag of zij voorstander is van een modern personeelsmanagement, dat zij houdt van het model van de hogescholen: de opdracht van de leerkracht uitgedrukt in percentages, niet in lesuren. Zo kan je veel flexibeler omspringen met je opdracht.
COC houdt echter niet van het model van de hogescholen en wenst het dan ook niet in te voeren in andere onderwijsniveaus. In de hogescholen wordt het totaalpakket aan werk simpelweg verdeeld over het totaal aantal personeelsleden. Op die manier krijgt een voltijds tewerkgesteld personeelslid zijn of haar opdracht. Maar of die opdracht wel uitvoerbaar is in een werkweek, vraagt men zich amper af.
Meer zelfs, veel hogescholen besparen op personeelsuitgaven en/of drijven het totaalpakket aan werk op. Ook dat nieuwe pakket wordt dan verdeeld over het (dalend) aantal personeelsleden en zo wordt taakverzwaring systematisch in het systeem ingebouwd. Voor dat soort flexibiliteit bedankt COC.
COC is alleen bereid te praten over een schoolopdracht indien hierin alle taken van het onderwijspersoneel worden opgenomen, indien die taken objectief en eerlijk geëvalueerd worden in samenspraak met de betrokkenen en indien een eventuele taakverzwaring verdere personeelsaanwervingen meebrengen.
Indien ‘modern personeelsmanagement’ ook zaken als een nog grotere flexibilisering van het personeel of loondifferentiatie zou inhouden, zal COC zich daar krachtig tegen verzetten.

4.3 Enveloppenfinanciering

De “eenmalige financiële injectie in de hogescholen” die het regeerakkoord belooft, is welkom, maar hét fundamenteel probleem voor het hoger onderwijs blijft het systeem van de te kleine gesloten enveloppe. Hierdoor worden de hogescholen verplicht tot besparingen die tot afdankingen van het tijdelijk personeel, steeds grotere studentengroepen en steeds meer werkdruk en stress bij het hogeschoolpersoneel leiden. Uiteraard komt dit alles de kwaliteit van het hogescholenonderwijs absoluut niet ten goede. Helaas wordt er over het systeem van de gesloten enveloppe, waarover alle betrokkenen van de hogescholen al vaker hun grote misnoegdheid hebben laten blijken, in dit regeerakkoord niets gezegd.
Het goede nieuws is dat het regeerakkoord niet verwijst naar een invoering van een enveloppenfinanciering in andere onderwijsniveaus. Dit zou voor COC en het onderwijspersoneel ook totaal onaanvaardbaar zijn.

4.4 Lokale autonomie

Het regeerakkoord verwijst herhaaldelijk naar meer lokale autonomie voor de scholen en scholengroepen. Geert Schelstraete, overgenomen vanuit de Guimardstraat, staat ook bekend als een fel voorstander van lokale autonomie.
COC kan leven met beperkte vormen van lokale autonomie voor zover het gaat om strikt pedagogische zaken. Maar COC en het onderwijspersoneel zullen niet dulden dat alles wat de personeelsbelangen aangaat (statuut, verloning, rechtspositie, prestatieregeling…) het voorwerp zouden vormen van de willekeur van een plaatselijke directie. In dit verband kan ook nogmaals gezegd worden dat de kwaliteit van het onderwijs er toch is gekomen mét het bestaan van centrale regelgeving inzake personeelsmateries.

5. Conclusies

  1. Het regeerakkoord bevat niet onmiddellijk maatregelen waar COC zich niet kan in vinden, maar een link naar de gevolgen ervan voor de personeelsleden is er nooit, net zo min als de wijze waarop men deze maatregelen gaat financieren. Dat maakt een beoordeling moeilijk.
  2. Een aantal ingrijpende maatregelen in het secundair onderwijs worden genomen op basis van wat men noemt “minpunten”, maar deze minpunten kunnen toch wel gerelativeerd worden. Deze minpunten wekken de indruk dat het onderwijspersoneel zijn werk niet goed doet.
  3. Het regeerakkoord drukt op geen enkel ogenblik waardering uit voor het werk van de personeelsleden, ondanks de hoge kwaliteit van ons onderwijs. Over het verhogen van het welbevinden en het verminderen van de taakbelasting van de personeelsleden is er in het regeerakkoord geen spoor terug te vinden. Daarom vragen we aan minister Vandenbroucke bijzondere aandacht voor deze punten. Het welbevinden van de leerlingen, de studenten en de cursisten hangt immers nauw samen met het welbevinden en de taakbelasting van de personeelsleden. Positieve maatregelen voor de personeelsleden hebben positieve effecten op de leerlingen, studenten en cursisten. Negatieve maatregelen hebben het tegengestelde effect.

Concreet vragen we aan de minister dat hij een inventaris zou opmaken van de grote wijzigingen die de laatste 10 jaar aan de onderwijswetgeving werden aangebracht en te onderzoeken wat deze wijzigingen in het veld teweeggebracht hebben inzake de planlast en de taakbelasting. Speciale aandacht moet daarbij gaan naar de problematiek van de eindtermen, de implementatie daarvan op schoolniveau, hun weerslag op de leerplannen, de rol van de koepels en de rol van de inspectie tijdens schooldoorlichtingen. In eenzelfde beweging kan hij dan ook nagaan welke middelen de individuele leraar op schoolniveau gekregen heeft om al deze wijzigingen te implementeren. Men zou meteen het antwoord kennen op de vraag hoe het komt dat de taakbelasting en de planlast van de leraren zo hard is gestegen en wie hiervoor verantwoordelijkheid draagt.


 
Onze website maakt gebruik van cookies.